vrijdag 5 juni 2015

Voedselideologie

Mogen ideeën over voedsel iets kosten? Moet dierenliefde zover gaan dat iedere Nederlander wordt gedwongen de portemonnee te trekken? Het lijken me reële vragen nu steeds meer wetgeving gericht op het verbeteren van het welzijn van dieren de prijzen van voedsel opdrijft. Het dier dichtbij roept kennelijk meer medelijden op dan de naaste veraf nu steeds meer mensen (overigens vaak terecht) vraagtekens zetten bij het niveau van de ontwikkelingshulp; een ander grotendeels op basis van emoties vastgesteld budget.

Recent werden we verblijd met het volgende initiatief, waaruit blijkt dat er kennelijk ook overtreffende trappen in opkomen voor dierenwelzijn zijn en dat dit wordt gebruikt om bij de consument te kunnen scoren. De supermarkten hebben aangekondigd in 2020 met een trager groeiend kippenras (de Kip van Morgen) te komen. Dit onder druk van organisaties als Wakker Dier dat een blijkbaar succesvolle campagne voerde tegen de plofkip. Albert Heijn dacht iedereen te slim af te zijn en kwam met een eigen variant onder de naam Hollandse Kip, maar een succesvolle klacht bij de Reclame Code Commissie voorkwam dat AH er het predicaat 100 procent verantwoord op mocht plakken.

Dit is een vreemde gang van zaken. Laten we ons beperken tot de kippenbranche. Eerder wisten organisaties die zich zeggen in te zetten voor dierenwelzijn een eind te maken aan het afbranden van snavels, met als gevolg dat tegenwoordig 10 procent van de pluimveepopulatie door soortgenoten wordt gedood. Ook kwamen er afspraken rond scharreleieren, met als gevolg dat de prijs van eieren fors steeg. In 2012 kostten 100 eieren ineens bijna 14 euro, terwijl dat begin dat jaar 8 euro was en een jaar eerder nog geen 4 euro. In de Europese Unie zijn legbatterijen sinds 2012 verboden, al houdt ondermeer Griekenland zich daar niet aan. Vooral door de hoge voerprijzen en concurrentie van legbatterij-eieren van buiten de EU kost de productie in Nederland vaak meer dan wat een ei opbrengt, want de concurrentie van legbatterijen buiten de EU is stevig. Hiermee hebben we het slechtste bereikt van twee werelden: het beoogde doel van verbetering van dierenwelzijn is niet bereikt, terwijl de productie naar buiten de EU is verplaatst met als gevolg verlies van werkgelegenheid en inkomen.

Er zijn de afgelopen jaren in hoog tempo ge- en verboden ingevoerd met als achtergrond het bevorderen van ‘dierenwelzijn’ op een manier zoals dit een relatief beperkte groep actievoerders voor ogen staat. Actievoerders die geweld bij het opleggen van hun opvattingen niet altijd schuwen.

Al deze ge- en verboden hebben echter ook een economische keerzijde. Niet alleen moeten nertsenfokkers en kokkelvissers een andere broodwinning zoeken, hoewel sommigen op hun lauweren kunnen rusten omdat ze zich tegen vorstelijke bedragen hebben laten uitkopen door de overheid. De prijs van eieren reageerde op nieuwe wetgeving en ook de Kip van Morgen zal onherroepelijk duurder zijn dan de kip van vandaag. Wat we aan het doen zijn is dus geld van consumenten overhevelen naar kippen, zodat deze een beter leven zouden krijgen. Een absurde gedachtegang zou men vrijwel unaniem vinden in menig ontwikkelingsland.

Ik zet grote vraagtekens bij het opjagen van voedselprijzen ten bate van het bevorderen van dierenwelzijn. Persoonlijk heb ik er het geld niet voor over als het de kwaliteit niet verbetert. Dat maakt mij geen voorstander van het onnodig kwellen van dieren, maar iemand die de lat een stukje lager legt. Zolang groter dierenwelzijn niet gepaard gaat met smaakvoller voedsel ben ik niet bereid daar extra voor te betalen. Dat is vloeken in de kerk voor dierenactivisten, maar in mijn ogen een respectabel standpunt. Toch krijg ik hun mening door de strot geduwd doordat élke winkelier en producent gedwongen wordt zijn medewerking te verlenen. Is het niet goedschiks via een convenant gesloten met dierenrechtenorganisaties dan is het wel kwaadschiks via (gewelddadige) actie. Ik denk echter dat het draagvlak voor deze afspraken wankel is. Gesteld voor de rechtstreekse keuze tussen lagere voedselprijzen of meer betalen voor meer dierenwelzijn ben ik ervan overtuigd dat een groot deel van de Nederlandse bevolking zal kiezen voor het eerste.

Ja maar, zult u betogen, we hebben toch zelfs een Partij voor de Dieren in ons land dus dierenwelzijn leeft zo sterk dat er zelfs mensen zijn die er hun politieke keuze door laten bepalen. Toch scoort die partij nooit meer dan een paar zetels, wat overeenkomt met een paar procent van de bevolking. Het fundamentele verschil van mening dat hier naar boven komt is tussen mensen die mensen zien als een diersoort die niet verheven is boven andere diersoorten en mensen die mensen zien als wellicht niet zo zeer genetisch maar in elk ander opzicht nogal anders dan ‘andere’ diersoorten. Peter Singer is de beroepsethicus die vooral bekend is geworden als bestrijder van het ‘speciesisme’, de opvatting dat het dier inferieur is aan de mens. Hij huldigt het principe, dat teruggaat op Darwin (of in ieder geval het darwinisme), dat er geen doorslaggevend verschil is tussen mens en dier.

Maar welk (ander) dier heeft een samenleving opgebouwd als de mens? Wat een mens onderscheidt van een dier is dat mensen zelfbewustzijn hebben, het vermogen hebben om na te denken over hun eigen denkproces. Ook hebben mensen voorstellingsvermogen, waarmee we in onze geest een wereld scheppen los van onze huidige situatie. Verder hebben we een geweten, een diepgeworteld besef van goed en kwaad. Tenslotte hebben we een onafhankelijke wil. We kunnen handelen op basis van ons zelfbewustzijn, onafhankelijk van allerlei invloeden van buitenaf. Zelfs de intelligentste dieren bezitten deze kwaliteiten niet. Ze worden geleid door instinct en/of training. Daarom hoeven we dieren wat mij betreft niet als onze gelijken te behandelen.

Daarmee zijn we terug op het ideologische verschil van mening waar ik het eerder over had. In onze samenleving is er op tal van terreinen ruimte voor andere opvattingen. Het wordt tijd dat dit ook weer geldt als het gaat om dierenwelzijn.

vrijdag 10 oktober 2014

Lessen van het EMS

Voor wie nadenkt over scenario’s over de toekomst van de euro is het nuttig om te kijken naar de ervaringen met het wisselkoersmechanisme binnen het Europese Monetair Stelsel (EMS). Het onvolprezen boek van Philipp Bagus, The Tragedy of the Euro is hierbij mijn voornaamste historische bron.

Het wisselkoersmechanisme binnen het EMS functioneerde van 1979 tot augustus 1993 en was een Frans-Duits initiatief om hun valuta binnen een vaste bandbreedte ten opzichte van een spilkoers zo min mogelijk te laten fluctueren. Voor de kernlanden bedroeg die bandbreedte 2,25 procent naar boven en beneden. N.B. Na augustus 1993 bleef het EMS nog wel bestaan maar werd de bandbreedte opgerekt naar 15 procent en werden de ‘vaste’ koersen min of meer losgelaten.

Gedurende de bijna 15 jaar dat het wisselkoersmechanisme functioneerde in de oorspronkelijke opzet was er voortdurend sprake van spanningen tussen Frankrijk en Duitsland over de inrichting van het monetaire en wisselkoersbeleid. Spanningen tussen beide landen gaan terug tot de periode van Karel de Grote, dus hun aanwezigheid tijdens de periode van het EMS mag niet verbazen. De Bundesbank probeerde in deze periode een ‘hard geld’ beleid te voeren. Dat was overigens geen echt hard geld beleid; het betekende alleen dat de D-Mark iets minder snel door inflatie werd uitgehold dan de meeste andere valuta. Zo verloor de D-Mark b.v. tussen 1948 en het einde van het EMS 90 procent van zijn waarde. Frankrijk werd in deze periode grotendeels door de socialist Mitterrand geregeerd en wilde een zo ruim mogelijk monetair beleid om een expansieve politiek van overheidsuitgaven te ondersteunen en de staatsschuld door inflatie te laten uithollen. Het inherente verlies aan internationaal concurrentievermogen moest door periodieke devaluaties worden hersteld. U ziet dat er qua beleidsvoorkeuren van de monetaire autoriteiten de afgelopen decennia weinig is gewijzigd.

Net zo min als nu in de muntunie waren ook toen dergelijke verschillende culturen en uiteenlopende beleidsopvattingen binnen het EMS niet verenigbaar. De inherente spanning tussen beide vond bij gelegenheid een uitweg in een herschikking van de spilkoersen, waarbij grosso modo steeds weer de Mark werd opgewaardeerd en de Franc werd afgewaardeerd. Gaandeweg werden deze herschikkingen wel minder in aantal, om de illusie te wekken dat er sprake was van een situatie waarin beide landen economisch meer naar elkaar toe groeiden. Een belangrijk aspect was verder nog dat afwaardering van een munt als een vorm van gezichtsverlies werd gezien. Het betekende dat de zwakke broeder de sterke niet kon volgen en wilde dat in de toekomst veranderen, dan zou de zwakke broeder meer op de sterke moeten gaan lijken. Kortom, de Bundesbank dicteerde de marsroute en dat was voor de Fransen natuurlijk onacceptabel. Zij hebben voortdurend naar wegen gezocht om onder deze situatie uit te komen en uiteindelijk in de Duitse eenwording de perfecte gelegenheid gevonden de D-Mark en de Bundesbank kalt te stellen.

De nodige megalomaanheid kan ook de politici van die tijd niet worden ontzegd. De opname van het Britse pond in het wisselkoersmechanisme van het EMS was een ernstige misrekening. De totaal andere Britse economische structuur zorgde er voor dat het hele stelsel op scherp kwam te staan en toen speculanten en andere partijen op financiële markten hun koudwatervrees hadden overwonnen, was er geen houden meer aan en lagen de Britten er weer uit. Hoewel dit zo wel in het collectieve geheugen is blijven hangen, betekende dit niet het einde van het wisselkoersmechanisme binnen het EMS in de toenmalige vorm. Deze ‘Black Wednesday’ in september 1992 leidde tot het vertrek van de Britten en de Italianen uit het wisselkoersmechanisme van het EMS, maar de anderen gingen ‘gewoon’ verder. Wat het EMS uiteindelijk de das om deed was de weigering van de Bundesbank om op Frans verzoek onbeperkt Franse Francs op te kopen om de koers van de Franc te steunen. Voor één keer besloot de regering Kohl de leiding van de Bundesbank niet af te vallen en de poot richting Parijs stijf te houden.

Wat leert ons dit alles nu? Laten we nog eens kijken naar de machinaties van de huidige ECB-president Draghi sinds diens aantreden in november 2011. Hij begon meteen met een renteverlaging en een omvangrijk leenprogramma van (uiteindelijk) in totaal circa 1000 miljard euro, dat vooral de Zuideuropese banken ten goede kwam. In de zomer van 2012 deed Draghi zijn fameuze uitspraak al het nodige te zullen doen om de eurozone in stand te houden. Er volgden meer renteverlagingen en leenprogramma’s. Ook kwamen er opkoopprogramma’s voor schatkistpapier en recent de aankondiging om van onderpand voorziene leningen van banken te kopen. Zijn recente uitspraken over het stimuleren van de economie door overheden betekenden een ondermijning van de Europese begrotingsregels. De pogingen om de inflatie omhoog te jagen en vooral de lage rentepolitiek hebben ervoor gezorgd dat de waarde van de euro ten opzichte van b.v. de dollar is gedaald. Wie dit rijtje beleidsmaatregelen op zich laat inwerken, ziet dat het bijna een kopie is van het Franse monetaire beleid in de periode van het EMS. Dan hebben we het nog niet eens gehad over de wens van Draghi om ook staatsschuld monetair te financieren. Een wens die vooralsnog geen realiteit is.

De meeste van bovenstaande maatregelen konden binnen het bestuur van de ECB rekenen op de tegenstem van de president van de Bundesbank. Handig manoeuvreren heeft er echter voor gezorgd dat deze stem verloren gaat te midden van een meerderheid van landen dat het monetaire en wisselkoersbeleid graag op Mediterrane leest geschoeid ziet. Nu komt de belangrijkste les van het EMS. Je kunt niet tot in het oneindige de belangrijkste deelnemer aan een muntunie overrulen door een beleid te voeren dat op alle punten ingaat tegen diens voorkeuren. Vroeg (of in dit geval) laat wordt er ergens een principiële streep getrokken. In de internationale diplomatie krijg je uiteindelijk de rekening gepresenteerd als je alleen rekening wenst te houden met je eigen belangen en de steun daarvoor van de helft plus 1 voldoende vindt. Zonder het optreden van Putin te willen goedpraten, is dat waar het Westen nu tegenaan loopt in Oekraïne. Zo zijn er meer voorbeelden. De Duitsers zijn te belangrijk om ze voortdurend aan het kortste eind te laten trekken. De opkomst van een partij als de AfD bewijst dat wat eerder aan onvrede al bleek uit opiniepeilingen onder de Duitse bevolking binnenkort wel eens andere vormen kan aannemen. Dat zal ook Merkel dwingen haar koers te wijzigen, onder luid gejuich van beleidsmakers bij die andere centrale bank in Frankfurt.

Er wordt inmiddels hard nagedacht over alternatieven voor de huidige Eurozone en dat is maar goed ook. Mocht de euro mislukken en de boel klapt uitelkaar, zoals ooit het EMS, dan is het verstandig dat de Nederlandse regering op soortgelijke wijze reageert als het toenmalige kabinet. Dat klonk via een bilateraal akkoord de Gulden aan de D-Mark vast en nam zo veel potentiële valutaonrust rond de Nederlandse munt weg. Het kan geen kwaad ons ook nu weer op een dergelijk scenario voor te bereiden.

zaterdag 27 september 2014

Jeugdwerkloosheid tussen discriminatie en statistiek

De officiële werkloosheid onder jongeren van 15 tot 24 jaar in de EU is schrikbarend hoog. In Spanje en Griekenland bedraagt deze meer dan 50 procent. Italië, Portugal en Cyprus kennen een percentage van meer dan 40. In Nederland ligt de jeugdwerkloosheid gemiddeld rond 11 procent, maar zijn er groepen die een veel hoger percentage kennen. Onder allochtonen bedraagt de werkloosheid een veelvoud van dit gemiddelde.

In een eerdere bijdrage schreef ik over het Nederlandse jeugdwerkloosheidscijfer. Dat wordt vertekend doordat ook degenen die louter een bijbaantje zoeken en voor wie werken niet hun hoofdactiviteit is (scholieren bijvoorbeeld) als werkloos staan geregistreerd. Hoe jonger de leeftijd, hoe schever het beeld is dat de officiële cijfers geven. Er is echter nog een andere vertekening en die doet het (inter)nationale beeld kantelen.

Werkloosheid wordt gemeten door het aantal werkzoekenden te delen op de beroepsbevolking. De beroepsbevolking wordt gevormd door de werkenden en de werklozen tezamen. Er is nog een derde categorie die niet tot de beroepsbevolking behoort, maar wier aanwezigheid voor wat betreft het meten van de jeugdwerkloosheid wel van groot belang is. Dat zijn de “inactieven”. De naam is enigszins misleidend. Het gaat om mensen die noch werken noch op zoek zijn naar werk, om wat voor redenen dan ook.

De cijfers van Eurostat, het CBS van de Europese Unie, laten naast de officiële werkloosheid ook de ratio zien tussen het aantal werklozen en de totale bevolking als het gaat om de categorie tussen 15 en 24 jaar. Dat heeft forse consequenties zo blijkt. In Spanje 'daalt' de jeugdwerkloosheid dan van meer dan 50 procent naar iets meer dan 20 procent. En bij de andere hierboven genoemde Mediterrane landen schiet de werkloosheid ruim onder de 20 procent. Dat is natuurlijk nog steeds veel, maar minder dan de helft van de officiële werkloosheidscijfers.
De suggestie van alle berichten in de pers dat in Zuid-Europa (meer dan) de helft van alle jongeren de dagen in onledigheid doorbrengt als werkloos is dus sterk overdreven. Veel jongeren zijn om wat voor reden dan ook niet beschikbaar voor werk van 12 uur per week of meer. Overigens illustreert het fenomeen bijbaantje de verschillen tussen landen in de EU. De cijfers voor Spanje, Griekenland en Italië worden i.t.t. de Nederlandse niet vertekend door de aanwezigheid van scholieren die op zoek zijn naar een klein baantje voor naast studie of school. Dat fenomeen bestaat daar gewoonweg niet.

Terug nog even naar eigen land. De andere manier van meten door Eurostat heeft voor het gemiddelde werkloosheidscijfer onder jongeren in ons land ook gevolgen. Het gemiddelde ligt nu 30 procent lager: 7,7 procent in 2013 in plaats van 11 procent. Jarenlang is ons voorgehouden dat de werkloosheid onder allochtone jongeren meer dan het dubbele is van die onder autochtone (in 2012 zelfs bijna het drievoudige: 9,8 procent versus 28,4 procent). Uiteraard moet de overheid hier iets aan doen door meer geld te geven aan de gebruikelijke belangengroepen, die via banenplannen de achterliggende oorzaak (discriminatie door witte werkgevers) kunnen bestrijden. Wie het aantal werkloze allochtone jongeren (circa 31.000) relateert aan het totale aantal allochtone jongeren (circa 320.000) ziet dat de ratio tussen beide tot onder de 10 daalt. Een daling dus met tweederde! Onder allochtone jongeren is dus vooral de groep inactieven relatief veel groter dan onder autochtonen. Inactief kan betekenen dat men braaf voltijds op school zit of aan de studie is. Het kan ook zijn dat men een Wajonguitkering heeft o.i.d. Of er zijn voldoende eigen middelen van bestaan die zich aan het zicht van officiële instanties onttrekken. Of men is in Syrië enz. Het illustreert in ieder geval dat je niet te snel “Discriminatie!” moet roepen.

maandag 5 mei 2014

Hoe de Eurozone er werkelijk voor staat

De Euro lijkt in rustiger vaarwater te zijn terecht gekomen. Om te kunnen beoordelen of dat werkelijk zo is, is een blik op de reële economie noodzakelijk. Daar is sprake van een aantal zorgelijke ontwikkelingen, waarbij de Nederlandse economie zich meer in lijn beweegt met de Zuidelijke dan de Noordelijke landen.

De spanningen op de financiële markten zijn de laatste maanden weggeëbd en in de Eurozone lijkt de rust weergekeerd. De vraag is of dit komt doordat de economieën van de landen die hiervan deel uitmaken op orde beginnen te komen of dat het een met veel geld van overheden en ECB gekochte rust is. Hoe staat de reële economie er nu werkelijk voor? Met andere woorden: Hoe ontwikkelen consumptie en investeringen zich en wat gebeurt er met exporten en importen?

In een paper gaan drie economen verbonden aan de Universiteit Utrecht op deze vragen in. Holinski et. al. maken een onderscheid tussen twee groepen landen. Noord bestaat uit de ‘sterke’ noordelijke eurolanden Duitsland, Oostenrijk, Finland en Nederland. Zuid uit de landen die met steun van buiten op de been worden gehouden: Griekenland, Portugal, Spanje en Ierland.

De eerste jaren van de euro waren zowel wat economische als politieke ontwikkelingen betreft vrij stabiel en daarmee zeer geschikt om een reëel convergentieproces tussen de deelnemende landen in gang te zetten. In plaats daarvan ontstonden er echter twee groepen landen (Noord en Zuid), waarbij de economische situatie tussen deze beide groepen juist meer uiteen begon te lopen. Holinski et. al. richten zich in de eerste plaats op de ontwikkelingen op de betalingsbalans. Grofweg valt deze uiteen in twee delen: de lopende rekening en de kapitaal- en financiële rekening. De handelsrekening is het belangrijkste onderdeel van de lopende rekening en laat het resultaat zien van de export en import van goederen en diensten. Is per saldo over alle voorgaande jaren meer verkocht aan het buitenland dan gekocht, dan staat het buitenland per saldo (of netto) in het krijt. De kapitaal- en financiële rekening laat dan een tekort zien, omdat cumulatief sprake is van meer leningen (naast investeringen en beleggingen) aan het buitenland dan van het buitenland aan het eigen land.

Wie echter meer importeert dan exporteert, ziet zijn schuld aan het buitenland toenemen. Zo bouwde Zuid een netto schuldpositie aan het buitenland op door jarenlange tekorten op de lopende rekening. Noord werd steeds meer een schuldeiser van het buitenland door jarenlange handelsoverschotten. Het verschil is in 2008 met 16%-punt van het BBP het grootst: Noord laat een overschot zien van 4 procent BBP en Zuid een tekort van 12% BBP. Met name de private sector in Zuid leent in die jaren fors in het buitenland om dit tekort te financieren. Hoewel met de komst van de euro de onderlinge wisselkoersen zijn verdwenen, is het nog steeds wel mogelijk een reëel effectieve wisselkoers te berekenen en op die manier vast te stellen hoe de concurrentiepositie zich t.o.v. het buitenland ontwikkelt. De concurrentiepositie van Zuid is in al die jaren steeds verslechterd, terwijl die in Noord is verbeterd. De economie in het zuiden groeide weliswaar iets sneller dan die in het noorden, maar dat werd gefinancierd met geleend geld en ging gepaard met te snelle loonstijgingen die de concurrentiepositie van het zuidelijke bedrijfsleven aantastten.
Vanaf 2009 ontwikkelt de situatie in Noord zich (gezien de omstandigheden) vrij stabiel. Het overschot op de lopende rekening blijft gemiddeld genomen intact; de private besparingen nemen iets toe en de publieke nemen als gevolg van oplopende overheidstekorten iets af. Ook de investeringen blijven redelijk goed op peil.

In Zuid zijn de ontwikkelingen anders. De netto private besparingen nemen flink toe, wat komt door een forse daling van de investeringen met 10%-punt van het BBP. De exporten nemen iets toe door het aantrekken van de wereldhandel en de reële depreciatie van de euro. De importen blijven vrij stabiel. De handelsbalans van Zuid verbetert hierdoor. Zuid profiteert als netto schuldenaar sterk van de gedaalde rente. De schulden aan het buitenland zijn in deze landen echter opgelopen tot het (onverantwoord hoge) niveau van 100% of meer van het BBP.

Oppervlakkig gezien lijkt sinds het intreden van de crisis sprake van een verbetering van de netto besparingen en de handelsbalans in Zuid. Deze schijnbare verbetering camoufleert echter een aantal ontwikkelingen die zorgen baren:
  • Het concurrentienadeel van Zuid t.o.v. Noord is intact gebleven. De verbetering op de handelsbalans komt vooral door het relatief achterblijven van de importen en de daling van de investeringen (naast een aantal positieve externe ontwikkelingen) en niet door een verbeterde concurrentiepositie.
  • De netto schuldpositie van de Zuidelijke landen t.o.v. het buitenland blijft op het zeer hoge niveau van 100% (of meer) van het BBP. Ook de overheidsschuld beweegt zich op dit onhoudbaar hoge niveau. Dit komt doordat er nauwelijks sprake is van bezuinigingen op de uitgaven. Het maakt deze landen erg kwetsbare voor toekomstige rentestijgingen. Je mag ook zeggen dat de hoge schuld momenteel alleen houdbaar is door de lage rentestand.
  • De ontwikkelingen in de eurozone divergeren daardoor nog steeds, wat ook zichtbaar is in het oplopende verschil in inkomen in het voordeel van Noord. De auteurs stellen dat de aanpassing daardoor eenzijdig plaats vindt in Zuid. Het is echter de vraag in hoeverre dit de schuld is van Noord. Er is immers geen sprake van een gesloten systeem, waarbij de wereld alleen bestaat uit Noord en Zuid en de eurozone alles is wat er is.
  • In een aparte analyse zijn de ontwikkelingen in Frankrijk en Italië vergeleken met die in de beide groepen andere landen. Deze lijken meer in lijn met die in Noord dan die in Zuid, waarbij de situatie in Italië door het hoge schuldenniveau wel kwetsbaar is.
  • Voor Nederland komen de auteurs tot een minder gunstige conclusie. De ontwikkelingen hier in de laatste jaren lijken meer op die in Zuid dan die in Noord. De investeringen zijn sinds 2007 stevig gedaald en de externe concurrentiepositie is behoorlijk verslechterd. Dat mag niet verwonderen met een kabinet dat vooral uitblinkt in lastenstijgingen.

vrijdag 25 april 2014

Nudging of maakbare samenleving?

Nudging. Weer een nieuw anglicisme dat zijn intrede doet in onze taal. Achter deze term gaat een riskante ontwikkeling schuil die handen vol geld kan kosten.

Eind maart verscheen een advies van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) met de titel De verleiding weerstaan, waarin het volgende over nudging wordt geschreven:

De overheid kan de autonomie van burgers versterken met behulp van nieuwe inzichten uit de psychologie en de gedragseconomie, maar alleen onder strikte voorwaarden. Nudging, het sturen van gedrag via automatische en onbewuste denkprocessen, is alleen toelaatbaar als dit het vermogen van burgers versterkt om verleidingen te weerstaan die niet overeenstemmen met hun eigen waarden en doelen. Dat betekent terughoudendheid bij meer omstreden beleidsonderwerpen, volledige transparantie over de ingezette instrumenten en voldoende tegenkrachten in het democratische beleidsproces.

Over de normatieve aspecten van nudging is o.a. naar aanleiding van dit advies al het nodige geschreven. Het gaat dan vooral om de vraag of en in hoeverre de overheid een bepaald normen- en waardenpatroon en een daarvan afgeleid door haar gewenst gedragspatroon mag opdringen aan de burger. De auteurs van de RMO waarschuwen voor deze ontwikkeling en houden een pleidooi om nudging te gebruiken voor het versterken van al bij de burger al aanwezige ‘weerstanden’ tegen bepaalde gedragingen.

Nudging kan op tal van manieren worden toegepast (zie hiervoor hoofdstuk 4 van het rapport, waaraan ik onderstaande voorbeelden ontleen). Een bekend voorbeeld is de zgn. standaardoptie (‘default option’). Veel mensen zijn geneigd bij het maken van keuzes te kiezen voor de standaardoptie, bijvoorbeeld rond orgaandonatie. Als het doneren van organen de standaardoptie is, dan geeft vrijwel iedereen hiervoor toestemming (zoals in België: 98 procent). Als voor donatie expliciet toestemming moet worden gegeven, dan is dit percentage veel lager (27,5 procent in Nederland).

Nudging leent zich heel goed voor financiële toepassingen. Zo zou het wekelijks i.p.v. maandelijks uitbetalen van uitkeringen mensen aanzetten tot beter omgaan met geld. De Britse belastingdienst laat in herinneringsbrieven aan personen die achterstallig zijn met belasting betalen, weten welk percentage mensen in de wijk waar de betreffende persoon woont al wel aan hun verplichtingen heeft voldaan. Bij achterstallige wegenbelasting dreigt de Britse fiscus niet langer met een boete van maximaal 1200 euro, maar bevat de brief een foto van de auto van betrokkene met de waarschuwing dat het voertuig wordt ingenomen als de belasting niet wordt betaald. In beide gevallen nam het aantal wanbetalers fors af.

Vooral in het laatste geval is het de vraag of het gedragseffect toe te schrijven is aan nudging; een boete is wat anders dan in beslag nemen. Dat is gelijk ook het probleem met het toepassen van inzichten uit de psychologie en de gedragseconomie. Deze inzichten zeggen vooral iets over hoe individuen waarschijnlijk zullen reageren in bepaalde situaties. Ze zeggen veel minder over hoe alle individuen tezamen zullen reageren. Problematisch bij gedragseconomie is de stap van individu (micro) naar samenleving (macro). En dan zijn we bij het punt dat ik wil maken en dat gaat over effectiviteit. Nudging lijkt heel erg op oude wijn in nieuwe zakken, waarbij de oude wijn het onzalige idee van de maakbare samenleving is.

Laat ik er eens een ander voorbeeld bij halen om mijn zorgen te illustreren. Vorig jaar ging een ruime meerderheid in de Tweede Kamer juichend akkoord met het verhogen van de belasting op kraanwater. Naast extra inkomsten voor de schatkist was dit een maatregel die ook nog eens goed was voor het milieu: Het gebruik van water zou hierdoor afnemen. Dit ontlokte de topvrouw van waterbedrijf Vitens onlangs de opmerking dat we water nu zwaarder belasten dan een hamburger: 30 procent van de kraanwaterrekening bestaat uit belastingen. Wie even nadenkt, ziet meteen dat er geen verborgen kosten zitten in de prijs van water. Een overheidsmonopolist draagt bij u in de regio zorg voor de constante aanvoer en kan alle gemaakte kosten doorberekenen in de prijs. Wat u ervoor betaalt (minus belastingen) kost het ook om het product te leveren. En waarom zou daar bovenop het gebruik van koud kraanwater moeten worden ontmoedigd? Water is een bestanddeel voor veel andere producten, die daardoor ook weer duurder worden. Water wordt ook duurder ten opzichte van producten die wel aantoonbaar gezondheidsschade opleveren. Kortom, verhoging van de belasting op water is een wel erg slecht doordachte maatregel bij elk ander motief dan verhoging van de inkomsten van de schatkist. Er is een goede casus op te bouwen voor het standpunt dat je helemaal geen belasting op water moet heffen. Op dit terrein kunnen we ons nu eens rustig conformeren aan de rest van Europa.

Wat we al decennialang weten: De samenleving is niet maakbaar. Het ontbreekt de overheid aan de kennis en de kunde om de samenleving te sturen, laat staan dat we het eens worden over de te kiezen richting. Nudging verschaft de zoveelste ideologische onderbouwing voor overheidsingrijpen op eender welk terrein, tot ver in de persoonlijke levenssfeer van de individuele burger. We lopen het risico om opnieuw een lawine aan ‘goedbedoeld’ beleid over ons uitgestort te krijgen. Nudging is weer een nieuwe manier om beleid te verkopen dat veel geld kost en dat maar weinig zoden aan de dijk zet. Nog één voorbeeld tot slot. Op milieuterrein zijn er legio, want daar werd al flink wat af ‘genudged’ nog voordat de term zijn entree maakte in het Haagse beleidsjargon. Wie vorig jaar een Tesla aanschafte van 94.000 euro betaalde daarvoor netto als ZZP’er 25.000 euro. Ook wie geen of weinig kennis heeft van inzichten uit de psychologie of de gedragseconomie kan voor dit soort overheidsbeleid prima de diagnose stellen: Waanzin.

maandag 24 februari 2014

WRR gaat de mist in met migratie

De Amerikaanse econoom Milton Friedman heeft het punt op overtuigende wijze gemaakt: open grenzen en een royale verzorgingsstaat gaan niet samen. Helaas wordt deze les keer op keer vergeten. Onlangs weer door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).

 De WRR publiceerde een zgn. policy brief over het “in betere banen leiden” van Roemeense en Bulgaarse arbeidsmigratie. Vorig jaar verscheen een uitgebreider rapport van de WRR over arbeidsmigratie onder de titel In betere banen. Beide publicaties bewijzen alleen lippendienst aan de negatieve kanten van arbeidsmigratie. Een paar citaten:
“Een tijdelijke migrant levert de schatkist jaarlijks netto 1800 euro op”

 “Europese migranten vertrekken niet naar een land om gebruik te maken van de verzorgingsstaat, ze komen vooral om te werken”
Beide publicaties komen met degelijke studies die deze conclusies met empirisch materiaal onderbouwen. De duivel zit echter in de details. In het eerste zinnetje is het woordje ‘tijdelijk’ cruciaal. Een tijdelijke migrant die alleen komt werken en bij verlies van zijn baan weer vertrekt, levert de overheid allicht geld op. Dit effect is in diverse studies vastgesteld, die beide WRR-publicaties dan ook gretig aanhalen. De kwantitatieve effecten van permanente migratie zijn echter veel minder goed onderzocht. En dat is om maar één reden. Net zoals iedereen op zijn klompen aanvoelt dat tijdelijke migratie geld oplevert voor de schatkist, zal permanente migratie alleen maar geld kosten. Iedereen die zich in de geschiedenis van arbeidsmigratie verdiept in Nederland in de afgelopen decennia zal tot die conclusie komen.

De tweede uitspraak wil ik niet in twijfel trekken. Ik ga graag mee in de veronderstelling dat al die mensen uit Polen, Roemenië en Bulgarije in eerste instantie komen om te werken. Dat is ook wat ze de afgelopen jaren hier vooral hebben gedaan. En de meesten gaan ook terug of trekken verder als ze geen baan meer hebben. De cruciale vraag is of dat ook zo blijft. Het siert de WRR-medewerkers dat ze die vraag niet duiken. Het antwoord dat zij echter geven is volstrekt onbevredigend.

De WRR constateert dat Nederland vooral laagopgeleide arbeidsmigranten aantrekt uit de Midden- en Oosteuropese (MOE-) landen, die hier vooral laagbetaald werk aan de zgn. onderkant van de arbeidsmarkt verrichten. In de typische sociologentaal die de WRR zo vaak hanteert, vallen dan al gauw termen als ‘noodzaak tot het beschermen van migranten en van Nederlandse werknemers in laagbetaalde banen’, ‘uitbuiting’, ‘te veel flexibiliteit’ etc. Het is dan ook volgens de WRR noodzakelijk om “uitzendwerk, tijdelijke contracten en ZZP-regelingen opnieuw tegen het licht te houden”. Het mes blijkt dan ineens ook aan twee kanten te snijden: “Door de banen die arbeidsmigranten nu vervullen minder flexibel te maken, worden ze wellicht ook (weer) aantrekkelijk voor de al in Nederland aanwezige werknemers en werkzoekenden.” Het is een merkwaardige redenering: De flexbanen die door de migranten blijkbaar zo aantrekkelijk worden gevonden dat ze er huis en haard voor verlaten, leiden ertoe dat ze worden uitgebuit. En uiteraard zijn ze te onaantrekkelijk voor de gemiddelde Nederlander.

Nog een drogredenering: Omdat de overheid financieel baat heeft bij migratie (zie de eerder genoemde 1800 euro) moet deze volgens de WRR de inburgering van migranten financieren, zoals taalonderwijs en arbeidsmarktbegeleiding. Nu heeft de overheid al grote problemen om de eigen bevolking van goed onderwijs en hulp bij reïntegratie te voorzien, maar dit laat ik hier even liggen. De denkfout die hier wordt gemaakt is dat de baten van tijdelijke migratie worden toegerekend aan permanente migratie. Permanente migratie die de onmiddellijke toegang impliceert tot alle verworvenheden van de verzorgingsstaat.

Nu kunnen we terug naar Friedman. Je kunt wel vrije migratie hebben als het enkel en alleen gaat om het vinden van werk. De aanwezigheid van grote aantallen MOE-landers heeft bewezen dat het vinden van laagbetaald werk in Nederland niet het grootste probleem is. Het is n.l. werk waar veel Nederlanders inderdaad de neus voor ophalen. Zie de eindeloze verhalen over asperges steken, de kassen in het Westland etc. Zij kunnen dat doen omdat het niet accepteren van dergelijk werk nauwelijks financiële consequenties heeft. Veel gemeenten zijn laks in de handhaving van uitkeringsverplichtingen of er zijn allerlei sluipwegen om gemakkelijk onder die uitkeringsverplichtingen uit te komen. Feit is dan ook dat laagbetaald werk in Nederland wordt gedaan door mensen zonder uitkeringsalternatief. Je zou anders ook wel gek zijn, omdat het verschil tussen een minimumuitkering en het netto minimumloon minimaal is (zeker als je ook nog rekening gaat houden met allerlei toeslagen en kwijtscheldingen die de overheid op genereuze wijze verstrekt). Dat is het punt dat Friedman wil maken. Mensen komen hier naar toe om te werken, maar zullen vroeg of laat ontdekken dat je hetzelfde inkomen kunt ophalen met niets doen. Natuurlijk zullen niet alle migranten zo redeneren, maar gezien de enorme aantallen is een relatief beperkt percentage voldoende om de jaarlijkse uitgaven voor sociale voorzieningen met miljarden te doen stijgen.

Ben ik een zwartkijker? Kijk naar de in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw als tijdelijk begonnen migratie van arbeiders uit de landen rond de Middellandse Zee. Ze gingen merendeels niet terug. Verloren vroeg of laat hun baan en vonden niet snel een nieuwe, wat niet verwonderlijk was gegeven hun beperkte kwalificatieniveau. Velen kwamen erachter dat een nieuwe baan niet echt financieel de moeite waard is. Dat verhaal geldt niet alleen de eerste generatie, maar ook de tweede en de derde generatie. De helft van het aantal personen in de bijstand is van niet-Nederlandse komaf.

De WRR baseert zijn analyse op wensdenken en niet op wetenschap. Migratie en de verzorgingsstaat zijn niet te scheiden begrippen. Doordat de WRR verzuimt de lessen uit het verleden te trekken, biedt ze de politiek een nieuw dwaalspoor om migratie af te schilderen als iets dat ons overkomt en waar we met veel beleid (lees overheidsgeld) op moeten reageren. De remedie is echter veel simpeler en samen te vatten in drie regels: 1. Je kunt hier wel komen werken, maar je krijgt geen uitkering. 2. Wie wil integreren, betaalt dat zelf maar. 3. Wie problemen maakt, kan meteen vertrekken en komt er voorlopig niet weer in.

vrijdag 14 februari 2014

Zonder visie komt het volk om?

Visie is niet iets wat je van een ambtenaar direct verwacht. Ambtelijke visies bestaan meestal uit het door een’ planbureau’ laten identificeren van een paar ‘trends’, die vervolgens ‘extrapoleren’ naar de toekomst en tenslotte voorzien van een ‘beleidsreactie’. Secretaris-generaal Camps van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) vormt hierop geen uitzondering. In zijn nieuwjaarsartikel in het economenvakblad Economisch Statistische Berichten (ESB) toont hij zich een echte socialist, in een modern jasje.

Al meer dan 50 jaar geeft de hoogste ambtenaar van EZ in ESB jaarlijks zijn visie op het economische beleid. De huidige SG Camps kent illustere voorgangers, zoals de heren Rutten, Geelhoed en Van Wijnbergen. Deze waren in hun bijdragen wars van de waan van de dag en stelden noodzakelijke beleidsveranderingen voor. Zij kwamen regelmatig in conflict met hun minister. Camps voegt zich echter naadloos in de tijdgeest en stelt geen breuk voor met het staande beleid. Integendeel.

In het begin van het artikel bewijst hij lippendienst aan het vroegere gedachtegoed van EZ: “Wendbaarheid en vernieuwingsvermogen zijn essentieel om in te spelen op de veranderende wereld en om talent en kapitaal zo productief mogelijk te benutten.” Om vervolgens de aanval te openen op de zelfstandige zonder personeel (ZZP’er).

Het epistel van Camps  vormt een nieuwe poging om de ZZP’er te ketenen. Onder het mom dat een fundamentele reactie nodig is, waarbij niet de werknemer maar de werkende centraal staat, probeert Camps de ZZP’er opnieuw in te lijven in de arrangementen van de verzorgingsstaat. Het is namelijk maar wat lastig dat de ZZP’er niet financieel bijdraagt aan de collectieve regelingen die er zijn voor arbeidsongeschiktheid en pensioen.

Waaruit bestaat die fundamentele reactie en welke briljante visie presenteert Camps ons in dit artikel? Hij stelt: “Concreet kan hierbij gedacht worden aan een basisvoorziening voor alle werkenden op een lager niveau (met een verzekeringsplicht), waarbij op individueel en sectorniveau aanvullende afspraken gemaakt kunnen worden. Bij een fundamentelere reactie past ook dat het niveau van de huidige fiscale faciliteiten voor zelfstandigen, zoals de zelfstandigenaftrek, opnieuw wordt bezien.”

Zelfstandigen doen namelijk iets heel ergs: Zij onttrekken zich als ‘goede risico’s’ aan de sociale zekerheidsregelingen die er zijn en doorbreken daarmee de solidariteit. Daarnaast profiteren zij van fiscale regelingen, zoals de zelfstandigenaftrek. Dat is de socialist in PvdA-lid Camps uiteraard een doorn in het oog. Ook verloochent hij zijn achtergrond als boekhouder op het Ministerie van Financiën niet. Zelfstandigen mogen premie betalen voor regelingen waar zij relatief weinig gebruik van zullen maken en tegelijk ook meer belasting betalen over hun inkomsten.

Voor het bevorderen van "wendbaarheid en vernieuwingsvermogen" is de ZZP’er juist hard nodig. De gemiddelde Nederlandse werknemer wentelt zich het liefst in vrije dagen en vrijetijd; de ontslagbescherming die hij geniet; de toeslagen van de overheid voor huur, kinderopvang, zorgkosten enz. De ZZP’er is ondernemer geworden om zijn activiteiten in vrijheid te ontplooien, zonder daarbij gehinderd te worden door de rigide collectieve regelingen van de verzorgingsstaat. Die kosten hem veel tijd en geld, waar hij weinig voor terugziet. Hij wil geen werknemers in dienst, die in de eerste plaats hun rechten laten gelden en waarvan de bijkomende verplichtingen teveel afleiden van de activiteiten waarmee hij zijn brood moet verdienen.

De voorstellen van Camps vormen bij uitvoering een nieuwe stap in de verdere collectivisering van de Nederlandse economie. In plaats van het starre en rigide geheel van regelingen aan te pakken die tezamen de Nederlandse verzorgingsstaat vormen, opent hij de aanval op degenen die zich aan de daardoor gecreëerde lethargie willen onttrekken. Dat daardoor groei- en innovatievermogen worden geofferd op het blok van vermeende rechtvaardigheid neemt hij op de koop toe. Het sluit naadloos aan op het kabinetsbeleid van lastenverhogingen voor iedereen die een bijdrage levert aan de economie. De obsessie met ‘verdelen’ in plaats van ‘verdienen’ maakt ondertussen dat de te verdelen koek niet groter wordt.

zaterdag 28 december 2013

Verlof graag, als een ander het maar betaalt

"Belachelijk dat je in Nederland als vader maar twee dagen kraamverlof krijgt als je vrouw moet bevallen" of "Waarom heb je alleen recht op langdurend zorgverlof als je voor een naast familielid wilt zorgen en niet als je dat wilt doen voor een goede vriend". Iedereen zal deze opmerkingen wel eens hebben gehoord. Op zich hebben ze iets redelijks in zich. Je gunt het iedereen die voor het eerst of opnieuw vader wordt om tijd door te brengen met vrouw en kind. En het is erg nobel als iemand voor een naaste wil zorgen. Maar wat let deze mensen? Op dit moment is het zo dat je recht hebt op twee dagen door de werkgever betaald kraamverlof als je de vader of partner bent van iemand die bevalt. Dat recht wordt binnenkort uitgebreid met drie onbetaalde dagen, zodat je een week vrij kunt zijn. Het is een kwestie van tijd voordat de vakbonden (via de CAO) of de overheid (via wetgeving) hebben geregeld dat ook deze drie dagen (deels) betaald moeten worden door de werkgever. Langdurend zorgverlof is onbetaald en duurt maximaal 6 weken. Het wordt straks ook mogelijk langdurend zorgverlof op te nemen voor anderen dan een zieke partner, kind of ouder en ook in die gevallen waarin geen sprake is van een levensbedreigende ziekte. En dan is er ook nog de mogelijkheid om gedurende maximaal twee weken per jaar kortdurend zorgverlof op te nemen. De werkgever betaalt dan verplicht tenminste 70 procent van het salaris door.

Het bestaan van deze verlofregelingen en de verdere uitbreiding ervan roept bij mij een aantal vragen op. We leven in een land waar werknemers zowel in historisch als in internationaal perspectief korter werken dan wie ook. Waarom, als we met z'n allen steeds korter werken, steeds riantere verlofregelingen optuigen? Een tegenwerping zou kunnen zijn dat nu beide partners in het huishouden werken. Dat maakt het echter ook mogelijk risico's te spreiden, omdat er dan vrijwel altijd wel één van beide beschikbaar is. Ook is één baan meestal een relatief kleine deeltijdbaan.

Een tweede vraag die bij mij opkomt is wat de werkgever hier allemaal mee te maken heeft? Hij mag het gebruik van de verschillende hierboven genoemde verlofregelingen wettelijk gezien niet weigeren. Dit met uitzondering van het langdurend zorgverlof, mits hij zwaarwegende redenen weet aan te voeren. Niet alleen ligt de bewijslast altijd bij de werkgever, dat geldt ook voor het regelen van vervanging en andere aanpassingen in de organisatie. Bovendien moet hij loon doorbetalen als het om kraamverlof en kortdurend zorgverlof gaat. Terwijl veel werknemers bulken van de vakantiedagen hoeven zij die niet aan te spreken, omdat ze recht hebben op andere regelingen voor betaald verlof. In een individualistische maatschappij als de onze zou je ook de redenering kunnen doortrekken dat kinderen krijgen en voor anderen zorgen prima is, maar val mij daar als werkgever financieel niet mee lastig.

Het zal duidelijk zijn dat we ons met het uitbreiden van verlofregelingen bevinden in het gebied waar de verzorgingsstaat aan het expanderen is. Het kenmerk van ons sociale stelsel is dat het zich voortdurend uitbreidt en elk belendend perceel vroeg of laat inpikt. Het begon klein, maar geleidelijk aan zijn de verlofrechten in Nederland opgerekt en sluipt steeds meer het betalen van verlof binnen. Net zoals bij de introductie van de kinderopvangtoeslag leidt het ertoe dat we steeds meer informele en onbetaalde relaties tussen mensen op staatskosten gaan monetariseren. De ervaring in Nederland leert dat wie een regeling optuigt, weet dat er (meestal) vroeg of (zelden) laat gebruik van gaat worden gemaakt.

Aan het begin van dit stuk vroeg ik mij af wat personen belet om (meer) verlof op te nemen voor kraamzorg of andere zorg. Zij kunnen toch gemakkelijk vakantiedagen, overuren of ADV opnemen? Of anders in overleg met hun werkgever onbetaald verlof? Dat ze dit niet willen en vervolgens het probleem framen zoals in de citaten in de inleiding van dit stuk, geeft aan dat ze vinden dat de belastingbetaler of de werkgever moet opdraaien voor de gederfde inkomsten en in ieder geval niet zijzelf. Het monetariseren van informele relaties kent geen natuurlijk eindpunt. Politici van links tot rechts zijn dolblij een terrein te hebben gevonden waar de verzorgingsstaat vooruit kan, daarbij aangemoedigd door de vakbeweging. Van Nederlandse werkgevers is bekend dat zij wel even sputteren, maar uiteindelijk altijd bakzeil halen. Zie hier de expansie van de verzorgingsstaat in de afgelopen decennia in een notendop verklaard. Leuke dingen doen voor de mensen, daar hebben we per slot van rekening de overheid voor. Laten we alsjeblieft ophouden met het voortdurend pamperen van burgers op kosten van anderen; er is nooit meer een weg terug.

vrijdag 20 december 2013

Overheidsinterventie helpt zelden de doelgroep

Overheidsmaatregelen om bepaalde groepen te beschermen, blijken nogal vaak averechts uit te pakken voor degenen die ermee geholpen moeten worden. Ook het onlangs door het kabinet bij de Tweede Kamer ingediende Wetsvoorstel werk en zekerheid lijdt aan goede intenties.

Zoals ik vorige week al schreef naar aanleiding van dit wetsvoorstel, gaat verdelende rechtvaardigheid in Nederland meestal boven economische efficiëntie. Mensen die werken met flexibele contracten worden door veel, vooral linkse, politici als beschermwaardig gezien, want zij hebben minder rechten dan werknemers met vaste contracten. Flexibele arbeid voorziet echter in een behoefte bij werkgevers aan flexibiliteit, die de standaard vaste contracten niet mogen bieden. Ook zijn er veel werknemers die een flexibel contract prefereren boven een vast contract. Belangrijk is ook de notie dat een flexibel contract een unieke instapgelegenheid biedt aan groepen met een moeilijke arbeidsmarktpositie, omdat het vaak de enige manier voor hen is om zich te bewijzen aan een werkgever. 

Linkse politici en vakbonden zien flexwerkers echter als de zoveelste groep die moet worden geholpen. Het Wetsvoorstel werk en zekerheid brengt dit ‘ideaal’ weer een stukje dichterbij. Het Nader rapport bij het wetsvoorstel besteedt ook aandacht aan de potentiële werkgelegenheidseffecten, maar bagatelliseert eventuele negatieve consequenties als volgt:

“Zo blijkt uit een recent en uitgebreid literatuuroverzicht van de OESO [bedoeld wordt de OECD Employment Outlook 2013 RW] dat hervormingen in het ontslagrecht en het flexrecht volgens de meeste onderzoeken geen significant negatief effect hebben op de werkgelegenheid en de werkloosheid. De angst van de Afdeling [van de Raad van State RW] dat flexibele werkplekken niet meer worden opgevuld, hetgeen zou leiden tot werkgelegenheidsverlies, vindt dus geen stevige grond in de empirische literatuur op dit gebied.

Verder komt uit dezelfde overzichtsstudie van de OESO naar voren dat het vergroten van het gat tussen de bescherming van vaste en flexibele contracten leidt tot een toename van het aantal flexibele contracten. Omgekeerd geldt dan ook dat het dichten van het gat tussen vaste en flexibele arbeid leidt tot minder flexibele en meer vaste contracten. De maatregelen ter versteviging van de positie van flexwerkers zullen er dus naar verwachting toe leiden dat werkgevers per saldo meer vaste contracten aan zullen bieden.” (pp. 5-6)

Als we deze redenering doortrekken, dan zou het verbieden van flexwerk tot alleen maar vaste contracten leiden, bij gelijkblijvende werkgelegenheid. Iets zegt me dat hier geen sprake kan zijn van een over de hele linie lineaire relatie. Wat deze tekst echter vooral ademt is interventionisme: de overheid kan aan de ‘knoppen’ draaien en zo de economie besturen en het leven van mensen beter maken. Voor velen is de overheid tot dat ingrijpen ook moreel verplicht. Zij maken van elk economisch vraagstuk het liefst een verdelingsprobleem en sluiten bij voorkeur de ogen voor het optreden van gedragseffecten. Die zijn echter onvermijdelijk. Aangezien de spelregels zijn veranderd, gaan mensen zich aanpassen aan de nieuwe omstandigheden wat leidt tot vaak onverwachte resultaten. Op de arbeidsmarkt geldt maar al te vaak dat extra bescherming juist ten koste gaat van de positie van de groepen voor wie die bescherming is bedoeld. Het vermindert hun kansen op werk en zij blijven daardoor langer werkloos. Dat is ook een effect dat de OESO rapporteert in de Employment Outlook 2013, maar het blijft onvermeld in het Nader rapport. 

De OESO is alles afwegende per saldo positief over meer flexibilisering (p. 67): “There is evidence that, on average, workers benefit from a dynamic labour market, brought about by flexibility-enhancing, but duality reducing reforms.” Het tweerichtingsverkeer uit het Nader rapport blijkt bij de OESO een eenrichtingsweg, waarbij het verschil tussen vaste en flexibele contracten (de ‘duality’ in het citaat) via meer flexibiliteit wordt verminderd en dus niet door het aanscherpen van de regelgeving die de flexibiliteit van contracten vermindert. Beide laatste zinnen in bovenstaande passage uit het Nader rapport lijken dan ook gebaseerd op wensdenken van de minister van SZW.

Een ander voorbeeld van een goedbedoelde statische interventie die in dynamisch perspectief vaak averechts uitpakt, zijn de invoering van minimumlonen en de wens het niveau ervan steeds verder te verhogen. Duitsland is voornemens een minimum uurloon in te voeren, blijkens het recent gesloten coalitieakkoord tussen CDU/CSU en SPD. In de VS woedt momenteel een discussie over het (flink) verhogen van het minimumloon. De econoom en Nobelprijswinnaar Gary Becker legde onlangs de vinger op de zere plek door te wijzen op de hoge minimum (jeugd)lonen in Frankrijk (en ook Spanje) die gepaard gaan met een hoge jeugdwerkloosheid. Ook hier creëert een beschermingsmaatregel van overheidszijde een tegenstelling tussen de insiders die ervan profiteren en de outsiders die er door worden buiten gesloten.

De les die nu weleens geleerd zou mogen worden is dat interventie in statisch perspectief wellicht de doelgroep lijkt te helpen, maar in dynamisch perspectief juist hun kansen op werk vermindert.

vrijdag 6 december 2013

Europees Toezicht: Handhaven of niet?

Zal het toezicht op de grotere Europese banken bij de ECB in goede handen zijn? Dat is zeer de vraag. Beleidsmakers in Europa verwachten veel van het overdragen van nationale toezichtbevoegdheden aan de ECB. De ECB is enthousiast begonnen mensen te rekruteren en de eigen burelen uit te breiden. Kunnen we, afgezien van meer bureaucratie, daadwerkelijk hier iets van verwachten? De voortekenen zijn niet goed.

Een goed en beknopt overzicht van wat de Europese bankenunie inhoudt, vindt u hier. Een belangrijk voordeel van het centraliseren van het bankentoezicht zou zijn het ontnemen van de mogelijkheid aan nationale overheden om nationale "kampioenen" te bevoordelen. Een Europese instantie, zo is de gedachte, zal zich minder snel onder druk laten zetten dan een nationale regering die moet opboksen tegen een uit de kluiten gewassen financiële sector. Dat zou kunnen. Wat ook zou kunnen is dat die nationale kampioen nog steeds de eigen regering voor het karretje weet te spannen en dat vervolgens die regering de besluitvorming binnen de ECB naar haar hand weet te zetten. Die regering heeft daartoe ook een financiële prikkel, omdat de kosten van het redden of saneren van een bank grotendeels kunnen worden afgewenteld op de andere landen. Denkbeeldig? Er is een interessante parallel met de geschiedenis van de Euro. Ook hier zouden nationale beleidsmakers op afstand worden geplaatst en waren er vooraf strenge regels afgesproken. Landen zouden elkaar ook niet te hulp komen. Toen puntje bij paaltje kwam, werden die regels niet gehandhaafd; in eerste instantie niet door de Europese Commissie en in tweede instantie ook niet door het Europese Gerechtshof. Wie garandeert dat het met het bankentoezicht niet net zo gaat? In de EU zijn sommige landen meer gelijk dan andere....

De Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Douglas North heeft een interessant boek geschreven over het ontstaan en overleven van instituties met de titel Understanding the Process of Economic Change. Instituties vinden in de opvatting van North hun oorsprong in gedeelde normen en waarden. Regels in een land zijn een afspiegeling van die normen en waarden en vinden daarin hun voedingsbodem. Het derde aspect dat North in dit verband noemt, is de handhaving van die regels. Normen en waarden, regels en de handhaving hiervan zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Je ziet meteen waar het misgaat als het aankomt op het handhaven van de regels van het Europese bankentoezicht of welke andere Europese regels dan ook. Die vinden niet hun oorsprong in gedeelde normen en waarden, waardoor op zijn zachtst gezegd niet iedereen de noodzaak inziet om zich hieraan te houden.

Ter illustratie van dit punt: De Nederlander Sijbrand was in de race om de eerste directeur Toezicht te worden bij de ECB. Hoe serieus die kandidatuur was, mag worden betwijfeld. Dit vanwege het feit dat ook Frankrijk een kandidate had genomineerd. Je hoeft echt niet paranoïde te zijn of overal complotten te ontwaren om te veronderstellen dat de kandidatuur van de Nederlander daardoor kansloos was. Ondanks de oververtegenwoordiging van Zuideuropeanen in de top van de ECB ging de functie uiteraard naar de Française. Je kunt maar beter een 'mannetje' ter plaatse hebben dat de leiding heeft als er een nieuw toezichtstelsel wordt opgetuigd. De bureaucratie in Brussel is op Franse leest geschoeid en dat staat nu ook het toezicht te wachten. En wat de handhaving van het toezicht betreft, is het natuurlijk handig dat iemand uit eigen land de leiding heeft die je altijd kunt bellen (of andersom).

Een gelegenheid als deze laten de Fransen zich niet ontnemen en ze komen dan ook met een ‘zware’ kandidate, ook al valt daar nogal wat op aan te merken. Zo is zij al vrijwel haar hele werkzaam leven actief in het toezicht, waarvan de laatste 10 jaar in leidinggevende functies op het hoogste niveau. Dat veel Franse banken al jaren gebukt gaan onder een relatief hoge schuldenlast, veroorzaakt door het uitlenen van geld aan (andere) Zuideuropese staten, valt haar weldegelijk kwalijk te nemen. Deze banken hebben een onverantwoord risico genomen door zich op een dergelijke eenzijdige manier bloot te stellen aan een beperkt aantal debiteuren. Zij hadden er dus alle belang bij dat deze landen werden gered door de andere eurolanden en dat was daarmee ook een belang van de Franse regering. Nu valt niet te betreuren dat de eer om deze functie te vervullen niet is toegevallen aan de Nederlander Sijbrand. Hij is nog maar twee jaar in functie en er valt na een aantal grote toezichtdebacles in Nederland (o.a. SNS, DSB, Friesland Bank) nog wel het een en ander te verbeteren. Hiermee is nog maar net een begin gemaakt. Helaas hebben de meeste eurolanden nog niet eens dat stadium bereikt.

donderdag 28 november 2013

Hoe de euro strandt op Franse trots

Als één ding duidelijk is geworden, sinds het uitbreken van de financiële crisis rond de euro, is dat de Zuideuropese onwil om de economie te hervormen. Men ziet de economische problemen als iets dat elk van deze landen overkomt. Op de manier waarop de economie is ingericht, is niets aan te merken. Dat is zoals de eigen bevolking het wil, althans dat deel dat belang heeft bij handhaving van de status quo.

Het ligt voor de hand hierop te reageren met dat dit natuurlijk prima is, maar dat je dan niet moet deel willen uit maken van een monetaire unie met een gemeenschappelijke munt. Dat doet echter in deze landen bij de autoriteiten pijnlijke herinneringen oproepen aan de tijd dat er nog de D-mark was die het Europees Monetaire Systeem (EMS) domineerde, voortreffelijk beschreven door Philipp Bagus. De aanwezigheid van de mark maakte de bevolking in de Zuideuropese landen duidelijk dat je een hoger welvaartsniveau kon hebben én minder inflatie. En dat de voortdurende devaluaties via een hogere inflatie een aanslag vormden op de reële waarde van hun inkomsten en bezittingen. De (monetaire) autoriteiten in deze landen werden daardoor uiteindelijk gedwongen zich te voegen naar het beleid zoals dat werd bepaald door de Bundesbank. De Duitse hereniging vormde de perfecte gelegenheid voor het Zuidelijke blok om, aangevoerd door Frankrijk, de mark te neutraliseren. De introductie van de euro betekende het definitieve einde van de Duitse monetaire hegemonie, althans dat dacht men in Parijs en diverse zuidelijker gelegen hoofdsteden.

Je kunt echter je munt inwisselen voor een andere, maar dat wil niet zeggen dat je daarmee uit de problemen bent. De onderliggende economische structuren veranderen daardoor niet. Al spoedig ging het Franse economische beleid wringen met de regels die waren vastgelegd in het Stabiliteits- en Groeipact (SGP). Doordat ook Duitsland op dat moment even de weg kwijt was, konden die regels door de Fransen gemakkelijk opzij worden geschoven in 2003. De economie herstelde zich en ook Frankrijk krabbelde weer zodanig op dat er een paar jaar lang werd voldaan aan de eisen van het SGP. Hervormd werd er nauwelijks. In 2008 ging het weer fout. Weer was er het geluk dat het in heel veel landen tegelijk fout ging. Het gaf Zuid-Europa de gelegenheid de regels opnieuw opzij te schuiven, noodzakelijke hervormingen uit te stellen en de onrust rond de euro toe te schrijven aan ‘de financiële markten’. Belangrijk winstpunt vormde voor deze landen de creatie van een transferunie. Hoewel in strijd met het EMU-verdrag kon er nu bij het ontbreken van andere vormen van financiering op worden vertrouwd dat de Noordelijke landen altijd klaar zouden staan om de portemonnee te trekken. Intussen werd ook via handig manoeuvreren de top van de Europese Centrale Bank gedomineerd door Zuideuropeanen.

Hoewel sprake is van een meesterlijke omgang met allerlei camouflagetechnieken, is de fundamentele zwakte van de Zuidelijke economieën natuurlijk niet verdwenen. Reden waarom Duitsland in het vizier blijft van de Zuidelijken. De sterke economische prestaties van Duitsland komen volgens hen tot stand ten koste van de andere Lidstaten; Duitsland verrijkt zich over de rug van de landen die in de problemen zitten en dus wordt de Europese Commissie erop af gestuurd. Het is overigens nogal merkwaardig een instantie in te schakelen die niet in staat bleek de, althans bij aanvang, glasheldere verdragsregels van het SGP af te dwingen. Het SGP heeft daarna een hele trits additionele bepalingen gekregen waarvoor de economische logica ontbreekt en die vooral bedoeld lijken om de Noordelijke landen mee om de oren te slaan. De gehanteerde redenering reduceert de problemen in de Zuideuropese landen dus tot het (uiteraard tijdelijk) tekortschieten van de effectieve vraag. Er is geen sprake van starre arbeids- en productmarken, een matig functionerende overheid, te hoge belastingen, teveel regels e.d. Het probleem is dat de Duitsers op hun geld blijven zitten en weigeren goederen en diensten uit Zuid-Europa af te nemen. 

Maar stel dat de Duitsers nu wel massaal hun geld zouden gaan uitgeven en zich (nog dieper!) in de schulden zouden steken. Ligt het dan voor de hand dat ze dan vooral Zuideuropese producten gaan kopen? Portugal en Griekenland staan er niet om bekend dat ze de bovenkant van de markt bedienen, welke de Duitsers met hun extra verkregen inkomen wel zullen willen opzoeken. Veel bedrijven in Zuid-Europa zijn eenvoudigweg niet concurrerend.

De Duitsers hebben aan het begin van deze eeuw een transformatieproces ondergaan dat hun economie weer concurrerend heeft gemaakt. Althans t.o.v. de Eurolanden is sprake van een forse verbetering. Dat wordt al anders als de blik wordt verruimd. Het eurogebied is geen eiland waar landen alleen met elkaar hebben te maken en waar met heel veel goede wil het tekort van de een als de winst van een ander is te zien. Landen concurreren echter niet met elkaar; dat doen bedrijven. In landen gaat het om een zo goed mogelijk benutting van de productiemiddelen en gezien het werkloosheidsniveau en de staat van de overheidsfinanciën valt er ook in Duitsland het nodige te verbeteren. Duitsland scoort relatief goed als het alleen om een vergelijking met de eurolanden gaat. Vandaar ook dat het de laatste tijd begint te rommelen binnen het Duitse bedrijfsleven, waar men zich begint af te keren van de manier waarop nu met de euro wordt omgegaan. Zie b.v. de vertaalde bijdragen van Hans-Olaf Henkel hier op DDS en de opkomst van een partij als de AfD, een initiatief van economen die zich zorgen maken over de euro.

Het probleem van de euro, om niet te zeggen de tragedie, is dat deze voortdurend stuit op de Franse onwil om de economie te hervormen. Thans is Frankrijk opnieuw één van de zieke economieën in Europa blijkt uit recente cijfers. In Parijs hoopt men vurig dat de internationale conjunctuur fors gaat aantrekken, zodat een toename van de vraag de structurele problemen van Frankrijk opnieuw een tijdje camoufleert. Elke vingerwijzing van buiten om te hervormen zal de Franse regering zien als een onaanvaardbare aantasting van de eigen soevereiniteit. Dat is echter een opvatting die consequenties heeft. Om nog even terug te gaan naar het begin. Het EMS ging ooit ten onder. Dat kwam niet doordat o.l.v. George Soros het Britse pond eruit werd gespeculeerd. Het was de koers tussen de mark en de Franse franc die niet langer houdbaar bleek. De Fransen klopten vergeefs aan om steun bij de Duitsers. Mocht een soortgelijke situatie zich ook nu voordoen, dan valt te hopen dat de Nederlandse monetaire autoriteiten opnieuw het juiste spoor weten te kiezen.

dinsdag 19 november 2013

Stabiliseren of hervormen?

In deze tijden van recessie en financiële crises wordt de overheid steeds weer en steeds meer als weldoener en probleemoplosser gezien. Deze opvatting is ook onder steeds meer economen terug te vinden. Een prominent voorbeeld hiervan is de Nobelprijswinnaar voor economie van dit jaar, Robert Shiller. In eigen land is voormalig CPB-directeur Teulings een uitgesproken voorstander van een grote rol van de overheid om de economie te stabiliseren en heeft het kabinet die opvatting met graagte overgenomen. In het kort komt deze visie er op neer dat in perioden van negatieve economische groei de overheid de overheidsbestedingen moet vergroten om een recessie te voorkomen of te beëindigen. Een recessie kan leiden tot permanent inkomensverlies, hetgeen het overheidsingrijpen zou rechtvaardigen. Verhoging van de belastingen moet daarbij voor lief worden genomen, omdat de schadelijke effecten hiervan in het verleden sterk zijn overdreven. Ook is het positieve effect dat overheidsbestedingen genereren (de zgn. multiplier) veel groter dan voorheen werd gedacht. Het zijn inzichten die tot voor kort door de overgrote meerderheid van economen als vloeken in de kerk werd gezien. Het ‘uitzonderlijke karakter’ van de huidige recessie vormt echter de aanleiding om de consensus uit het verleden te herzien.

Laat ik beginnen met het laatste. Recessies zijn niet uitzonderlijk. Ze verschillen in zwaarte en recessies die hun oorsprong vinden in de financiële sector duren in het algemeen langer en zijn dieper, zoals de economen Reinhart en Rogoff in hun boek met de veelzeggende titel This Time Is Different laten zien. In de afgelopen decennia is al vaak gezegd dat de tijden waren veranderd en dat de ontstane exceptionele situatie om exceptionele maatregelen vraagt. Dit vooral om ingrijpen door de overheid te rechtvaardigen. Hieraan liggen echter vooral ideologische argumenten ten grondslag en niet zo zeer analytische. Periodes van groei en recessie wisselen elkaar al eeuwenlang af in de economie. Dat is een normaal en zelfs noodzakelijk proces. Recessies zijn nodig om dat wat is scheef gegroeid weer op de rails te krijgen. Recessies zijn een aanpassingsproces waarin iedere speler in de economie weer op adem komt door bezit en schulden weer met elkaar in overeenstemming te brengen. Ingrijpen in dit proces door de overheid, b .v. door het geven van bestedingsimpulsen om de vraag op peil te houden, is vrijwel altijd ongewenst en onnodig. De overheid beschikt niet over de noodzakelijke kennis wat er precies moet gebeuren. Ook zijn overheden onderhevig aan budgettaire cycli, waardoor de timing van ingrijpen vaak te wensen overlaat. De belangrijkste reden om tegen overheidsingrijpen te zijn, is dat dit het aanpassingsproces vaak juist vertraagt. Overheden zijn, onder invloed van gevestigde belangen, geneigd om bestaande structuren in tact te laten. De extra bestedingen maskeren dat deze structuren ineffectief en inefficiënt en daarmee onhoudbaar zijn. Dat laatste was nu juist de oorzaak van de recessie. In het geval van een financiële recessie zijn de financiële verhoudingen vaak uit het lood geslagen, doordat teveel met vreemd vermogen is gefinancierd. Aanpassen hiervan vergt tijd en gaat gepaard met een periode van lage of negatieve groei. Dat is een onontkoombaar proces. Er is geen economie die zich alleen maar lineair in opwaartse richting ontwikkelt.

Wie kijkt naar de huidige situatie zal snel tot de conclusie komen dat het verhogen van belastingen een averechtse uitwerking heeft. Producenten en consumenten, die het al moeilijk hebben en zijn verwikkeld in een moeizaam aanpassingsproces, krijgen dan nog eens extra lasten voor hun kiezen. Zie hier de reden dat de recessie in Nederland langer duurt dan elders. Pleit ik daarom tegen de 3%-norm waaraan we ons via het Stabiliteits- en Groeipact hebben verplicht? Die norm is weliswaar willekeurig maar wat er goed aan is, is dat deze een rem zet op een ongebreidelde expansie van de overheidsuitgaven. Een les uit de afgelopen 10 jaar moet zijn dat overheidstekort en -schuld in tijden van hoogconjunctuur verder moeten worden teruggebracht dan in het verleden is gebeurd. Een andere les is dat verhoging van de overheidsuitgaven geen zin heeft om een recessie te voorkomen, maar dat dit wel het eerste instrument is dat op spenderen beluste politici willen inzetten. Ook als tijdelijk bedoelde expansies bleken in het verleden moeilijk terug te draaien, omdat ze gevestigde belangen en verwachtingen bij groepen burgers creëren die moord en brand schreeuwen als deze worden teruggedraaid. 

De greep van de overheid op de economie moet dus worden verslapt. Niet alleen omdat aan de marge duidelijk is dat elke extra euro aan overheidsbestedingen een negatieve toegevoegde waarde heeft als ook rekening wordt gehouden met de belastingverhoging die daarvoor nodig is. Belangrijk is de notie dat groei en werkgelegenheid worden gecreëerd door het bedrijfsleven. Om allerlei redenen zijn de functies die de staat vervult in de economie steeds verder opgerekt, maar dat betekent niet dat al deze functies even productief zijn. In veel gevallen is juist sprake van een negatieve uitwerking op de economie. Dat inzicht is niet nieuw. Het is al vaak aangetoond. Om eens een recente bron uit ‘onverdachte’ hoek te noemen, verwijs ik naar een studie van Afonso en Jalles voor de ECB. Hun conclusie is glashelder: De omvang van de overheid heeft een significant negatief effect op de economische groei en het is met name de (improductieve) overheidsconsumptie die hieraan bijdraagt. Ook laten zij zien dat budgettaire regels, zoals die van het Stabiliteits- en Groeipact, een positieve rol kunnen spelen waar het gaat om de expansiedwang van de overheid te verminderen.

Wat kan er dan wel worden gedaan? CDA-leider Van Haarsma Buma mag er graag op wijzen dat een modale werknemer bijna de helft van zijn inkomen aan belastingen kwijt is. In werkelijkheid is het meer. Onder hele redelijke veronderstellingen laat de econoom Beetsma zien dat dit percentage op kan lopen tot 80 procent. Dat is het eerste wat hoognodig moet gebeuren: Het beslag van de overheid op de economie moet terug, zodat de belastingen omlaag kunnen. En dan niet de kaasschaaf hanteren, maar snijden in subsidies, toeslagen en regelingen die ineffectief en inefficiënt zijn. Het tweede wat kan worden gedaan, is het aanpassingsvermogen van de economie vergroten. Op die manier blijven recessies niet maar dooretteren. Dat betekent je verlies nemen, de koers verleggen en met hernieuwde energie weer verder. Dat is nodig waar het om de banken gaat, op de woningmarkt en in de sociale zekerheid. Iedereen is nu geneigd behaaglijk te blijven rusten in het vangnet dat de overheid biedt en de kosten daarvan neer te leggen bij de belastingbetaler. Dit vergt niet alleen een aanpak die door economen vaak wordt aangeduid met structurele hervormingen. Ook de mentaliteit zal moeten veranderen: de handen uit de mouwen en je lot zo veel als mogelijk in eigen hand nemen. Geen participatie- of verzorgingsstaat maar gewoon aan de slag!

Verschenen op De Dagelijkse Standaard op 13 november 2013

donderdag 28 februari 2013

Nu bezuinigen én hervormen!

We doen al zo ons best om de economische crisis te bestrijden en het is zonneklaar dat we alle heil daarbij van de overheid moeten verwachten. Om de vraag op peil te houden, mag die overheid best wat rustiger aan doen met het terugbrengen van haar tekort (drie procent is ook maar een getal). Lastenverzwaringen zijn geen probleem; de hogere inkomensgroepen blijven toch maar op hun geld zitten in plaats van het uit te geven en ze hebben genoeg. Structurele hervormingen zijn misschien nodig, maar het is nu niet de goede tijd; je moet het dak repareren als de zon schijnt.

Er begint zich een zekere consensus in politiek en economisch Nederland af te tekenen langs bovenstaande lijnen. Een consensus die vorige week werd doorbroken door Pieter Korteweg, voormalig thesaurier op het Ministerie van Financiën en oud-hoogleraar aan de Erasmus Universiteit. In het economenblad Economisch Statistische Berichten (ESB, 22-2-2013) veegt hij in een essay met de titel “Duurzaam monetair beleid” de vloer aan met bovenstaande, niet op economische wetenschap berustende retoriek en breekt een lans voor een duurzaam monetair en begrotingsbeleid.

Volgens Korteweg moeten we opnieuw, net als in de jaren zeventig en tachtig, leren leven met een lager structureel groeiniveau. Dat komt doordat de beroepsbevolking in de EU niet langer toeneemt en de groei dus alleen nog maar komt uit een stijging van de arbeidsproductiviteit als gevolg van betere technologie en andere innovaties. We moeten dit feit niet toedekken door aanpassingsprocessen voortdurend uit te stellen via het voeren van een ruim budgettair en monetair beleid. Korteweg maakt terecht gehakt van de zgn. begrotingsmultiplier. Recent kwamen IMF en CPB tot de conclusie dat deze toch groter moest zijn dan aanvankelijk gedacht. Een euro extra overheidsuitgaven leidt tot (veel) meer dan een euro verhoging van het BBP. Korteweg vraagt zich terecht af wat dan het probleem is. Opvoeren die bestedingen en we spenderen ons uit de crisis. Maar, zo concludeert hij terecht, als het opvoeren van begrotingstekorten en het op laten lopen van de overheidsbestedingen als aandeel van het BBP werkelijk de oplossing is, dan zouden Griekenland en Spanje bloeiende economieën moeten zijn.

Deze recessie wordt niet veroorzaakt door tekortschietende bestedingen, maar door een vertrouwenscrisis en onevenwichtige balansen van particulieren, bedrijven en financiële instellingen met teveel schulden. Een balansrecessie vereist het doorlopen van een (pijnlijk en langer dan gemiddeld durend) aanpassingsproces. Intussen doen we er alles aan om dit aanpassingsproces zo niet te vermijden dan in ieder geval te vertragen en de gevolgen te verzachten. De schade van een dergelijk beleid kon wel eens groter zijn, dan de pijn die men tracht te voorkomen. Korteweg concentreert zich op het handelen van centrale banken en laat zien dat het huidige monetaire beleid onhoudbaar is. Het opkopen van staatsschuld, waaraan centrale banken over de hele wereld zich hebben overgegeven (de ECB nog niet eens het meest), haalt alleen bestedingen van de toekomst naar het heden. Dit komt doordat het ruime monetaire beleid tracht de reële rente negatief te maken en te houden. Het is dan onaantrekkelijk bestedingen uit te stellen. Om de opwaartse druk op de rente te keren als gevolg van oplopende inflatieverwachtingen, zal de centrale bank de monetaire stimulering steeds verder moeten vergroten. Dat is wat we nu al een poosje zien.

Zoals elk economisch tekstboek leert, kan monetair beleid de reële economie niet blijven steunen. De gecreëerde inflatieverwachtingen zullen zich in echte inflatie vertalen. Het uiteindelijke effect is dat alle prijzen zijn gestegen, maar er in de reële economie niets is veranderd en prijs- en schaarsteverhoudingen dezelfde zijn gebleven. De balansen van de particuliere sector hebben zich niet aangepast, maar intussen is wat er is gebeurd moeilijk terug te draaien. Als de centrale banken namelijk de schulden die zij zo vlijtig op hun balans hebben verzameld weer gaan afbouwen, dan stijgt de rente. Berekeningen voor de FED laten zien dat als in 2016 wordt begonnen hiermee, de te betalen rentelast op de overheidsschuld net zo veel toeneemt als de verwachte (trendmatige) stijging van de belastinginkomsten tot 2020. Wat dus betekent dat alle andere overheidsuitgaven per saldo niet mogen toenemen. Dat lijkt geen haalbare kaart. Het enige wat dan nog rest is het laten oplopen van de inflatie, die de reële waarde van de schulden doet wegsmelten, en een goedkopere munt, om de export te stimuleren. Pleidooien hiervoor waren recent al uit Parijs te horen. Korteweg sluit af met de conclusie: “Voor allen die werken en sparen – zelf of via levensverzekeringen en pensioenfondsen – en vermogen bezitten, wordt het dan afzien want zij raken de klos en zullen verarmen.”

Wat is het alternatief? Robert Murphy heeft dit in een lezenswaardig artikel op een rij gezet, waarin hij de mythe van “kapot bezuinigen” doorprikt. De situatie is vaak zelfs omgekeerd. Landen met hoge staatsschulden kunnen zelfs op korte termijn economisch profiteren van een sterke reductie in overheidsuitgaven, zgn. “expansionary austerity”. Het bewijs hiervoor wordt o.a. geleverd door een studie van de ECB (ECB Bulletin, 2010, p. 85), met een verwijzing naar ervaringen in de afgelopen 30 jaar in Ierland, Finland en inderdaad Nederland. Murphy haalt zelf de situatie in Canada aan, waar tussen 1995 en 1997 de totale overheidsuitgaven daalden met zeven procent. In de tien jaar daarna noteerde Canada van alle G7-landen verreweg de hoogste groei, terwijl de overheid in 11 opeenvolgende jaren een begrotingsurplus liet zien en de staatsschuld daalde van 78% BBP in 1996 tot 37% in 2007. Keynesianen als Krugman ontkennen deze feiten niet, maar stellen dat de situatie nu anders is. De klappen kunnen niet worden verzacht door de rente te laten dalen, want die is al bijna 0, en de netto exporten te verhogen, want de wereld kan in zijn geheel niet meer naar zichzelf exporteren. Hoewel op het laatste nogal wat valt af te dingen (de crisis laat zich toch echt met name voelen in Europa en Noord-Amerika), is het argument dat de omstandigheden anders zijn pas echt een grijsgedraaide plaat. In hun boek This time is different laten Reinhart en Rogoff de verschillende patronen zien waarin economische recessies zich manifesteren. Een vuistregel die zij hieruit afleiden is dat als de staatsschuld oploopt tot boven een niveau van 90% BBP deze onhoudbaar begint te worden en economisch schade aanricht. Hier hebben we een volgende economische wetmatigheid te pakken die momenteel al te makkelijk onder het tapijt wordt geschoven.

Wie nagaat welke landen nu economisch goede cijfers laten zien binnen de EU kan niet om de prestaties heen van Estland, Letland en Litouwen. Zij hebben niet geaarzeld en bezuinigd en structurele hervormingen doorgevoerd en plukken daar nu de vruchten van. Structurele hervormingen zegt u? Inderdaad, deze crisis draait niet om bestedingen maar om het wegwerken van in de jaren voor 2008 ontstane onevenwichtigheden. Dan gaat het niet alleen om onhoudbare schuldenniveaus. Dezelfde ESB met het essay van Korteweg bevat een artikel van Raterink en Koning, waarin zij de toegenomen werkhervattingskans van oudere werklozen vanuit de WW analyseren. Het verschil met de kansen van de jongere leeftijdsgroep daar vlak onder is tussen 1999 en 2008 met 15-procentpunt verkleind. Dit wordt voor 2/3 veroorzaakt door de herinvoering van arbeids- en re-integratieverplichtingen voor werklozen van 57,5 jaar en ouder en het verkorten van de maximale WW-duur van 60 maanden naar 38 maanden. Beide maatregelen vonden plaats in 2004, inderdaad het ging toen economisch niet zo goed, en hadden dus vrijwel meteen effect.

Waarom horen we, afgezien van Pieter Korteweg, dit soort geluiden vrijwel nooit van Nederlandse economen? Hoewel wereldwijd gezien de economische wetenschap, heel grofweg gesteld, verdeeld is in twee scholen zijn degenen die meer marktwerking en minder overheid bepleiten hier altijd sterk in de minderheid geweest. Zij hebben hun toon vaak gematigd om zichzelf niet buiten de discussie te plaatsen. Met name het laatste decennium is de dominantie van de op een centrale rol van de overheid georiënteerde keynesiaanse economen wel erg groot geworden. De commissie Frijns concludeerde recent met betrekking tot het functioneren van het CPB dat deze instantie een aantal belangrijke ontwikkelingen in de afgelopen jaren heeft gemist. Het met één oog toegeknepen bezien van de resultaten van de economische wetenschap is er m.i. debet aan dat het CPB meehuilt met degenen die pleiten voor uitstel van bezuinigingen. Zoals het voorgaande illustreert is dat een recept voor grotere problemen in de toekomst, want zachte heelmeesters maken stinkende wonden.

woensdag 12 september 2012

De Euro hoe nu verder?

Wij hebben eerder in deze kolommen het einde voorspeld van de euro in diens huidige vorm. Politici zijn de afgelopen maanden steeds verder een fuik in gezwommen waaruit geen ontsnappen meer mogelijk is. In theorie volgen zij een koers die potentieel een uitweg uit de problemen zou kunnen bieden. Onder verwijzing naar de theorie van Robert Mundell over optimum currency area’s zou je kunnen stellen dat het eurogebied weliswaar geen optimaal valutagebied is, maar dat moet worden geprobeerd het dat wel te maken. Dat is wat er nu in de praktijk gebeurt. Door instituties zoveel mogelijk te schoeien op Europese leest en bevoegdheden van het nationale naar het internationale niveau over te dragen, wordt getracht een coherent economisch geheel te creëren dat de huidige economische storm, die een serieuze test vormt voor de euro, kan doorstaan.

Het is echter tevergeefs. Instituties zijn eerst en vooral een weerspiegeling van gezamenlijke normen en waarden en hebben daarom maatschappelijk draagvlak nodig. Er bestaat geen Europese maatschappij die dat draagvlak kan bieden. Of het daar ooit van komt, is nu niet relevant. Het is er niet en een Europese maatschappij laat zich niet op bevel in het leven roepen. In die zin is dit een perfecte illustratie van het feit dat de samenleving niet maakbaar is; een valkuil waar zovele Europese politici en beleidsmakers dagelijks in trappen. De keuze voor het volgen van deze oplossing heeft geleid tot wat economen noemen ‘padafhankelijkheid’; eenmaal ingeslagen is het moeilijk op de schreden terug te keren en dus zwemmen Europese beleidsmaker steeds verder de fuik in. Het is ook een gemakkelijke beslissing, want het voorkomt het maken van moeilijke keuzes. De puinhoop die men vooral in Zuid-Europa van de economie heeft gemaakt (en in iets mindere mate in Noord-Europa) vraagt om serieuze sanering. Politici vinden dat verhaal moeilijk te verkopen en schuiven lastige keuzes daarom voor zich uit. Kredieten helpen hierbij, maar zullen vroeg of laat moeten worden afbetaald. Vroeger is daarbij beter dan later.

 De fles gaat dan ook zolang te water tot zij breekt. Het proces stopt op het moment dat de zakken van de overheden leeg zijn en de kredietstroom opgedroogd. Daar gaat een heel proces aan vooraf dat onder het mom van Europese solidariteit steeds meer geld van Noord- naar Zuid-Europa zal pompen om de daar optredende chronische tekorten te dekken. De roep om euro obligaties en een bankunie zijn de lichtste uitingen van de behoefte aan herverdelingsinstrumenten. We zullen ook pleidooien gaan horen voor Europese belastingheffing (al geuit in de vermomming om speculanten of financiële instellingen fiscaal aan te pakken) en als meest vergaande vorm een begrotingsunie. Het laatste wil zeggen dat de zeggenschap over inkomsten en uitgaven op Europees niveau wordt gelegd. Ook op dat vlak zijn al stappen gezet. Veel principiële hordes voor het creëren van herverdelingsinstrumenten zijn de afgelopen maanden genomen. Het komt nu vooral aan op de maatvoering, die geleidelijk aan zal worden opgevoerd. En ook zal de geldpers volop blijven draaien. Vergis u niet, ook op die manier draagt u als burger bij, ook al lijkt ons land alleen maar te profiteren via een extreem lage rente op staatsobligaties. Daar staat tegenover dat de rente op spaarrekeningen ook extreem laag is. De monetaire financiering in de vorm van het opkopen van staatsobligaties van zwakke landen door de ECB zorgt ervoor dat risico’s op wanbetaling worden gecollectiviseerd. Risico’s die de ECB niet zal dragen, maar de individuele Lidstaten wel. Deze manipulatie van de korte rente creëert een bubble op de geldmarkt die vroeg of laat zal barsten, b.v. als een land als Spanje of Italië zijn verplichtingen niet meer kan nakomen. Banken zullen door overheden moeten worden gered, die daarvoor echter niet de middelen hebben. Dat betekent dat de belastingbetaler aan de beurt is. Daarmee weet u gelijk ook waar u nu uw geld moet beleggen.

Wat is het alternatief? Dat begint met de erkenning dat het euro-gebied geen optimaal valutagebied is. Dat is het nooit geweest, maar er viel mee te leven zolang iedereen zich aan de afspraken hield. Het feit dat dit niet gebeurde, illustreert perfect dat het nationale voor het Europese belang gaat en dat dus van een Europese maatschappij geen sprake is. Het betekent dan ook ontmanteling van het euro-gebied en je verlies nemen. Dat klinkt ingewikkeld maar is het niet. Voortbouwend op de monetaire ideeën van de Oostenrijkse econoom Friedrich Hayek is van diverse zijden voorgesteld een nieuwe munt in te voeren, recent door een groep Duitse economen. Die munt, door hen de guldenmark genoemd, wordt uitgegeven door de sterke landen die met elkaar door willen. Dat zal in de praktijk gaan om Duitsland en een aantal satellietstaten. Frankrijk hoort hier om verschillende redenen uitdrukkelijk niet bij! Niet alleen omdat het Franse belang altijd voor elk ander belang gaat en dus voor elke internationale afspraak. Ook de manier waarop tegen de economie wordt aangekeken, en met name de rol van de overheid hierin, maakt dat de Franse economie dermate afwijkt van die van Duitsland en diens economische bondgenoten dat geen sprake kan zijn van één valutagebied.

Invoering van de guldenmark betekent tegelijkertijd dat de verschillende staatshuishoudingen in het huidige euro-gebied worden gesaneerd. Die sanering is onontkoombaar; uitstel ervan maakt dat deze op een andere manier zal plaats vinden. Dan wordt een soort Japan-scenario werkelijkheid, waarin banken geleidelijk aan proberen hun balansen op te schonen (door risico’s af te wentelen op de staat) en spookleningen blijven bestaan die nooit zullen worden afbetaald. Want dat is de realiteit die onder ogen moet worden gezien. Veel van het aan probleemlanden binnen het euro-gebied geleende geld zal nooit worden terug betaald (tenzij nu nog gezonde landen deze verplichtingen overnemen). De sanering vindt plaats doordat de sterkere landen de euro vaarwel zeggen en de guldenmark accepteren. Als gevolg van de grote vraag zal de guldenmark sterk appreciëren, waardoor de eurolanden winnen aan concurrentiekracht. Ook zullen hun schulden, die zijn uitgedrukt in euro’s, daardoor relatief in waarde verminderen en daar zit de inkomensoverdracht van Noord naar Zuid. Deze sanering is echter onvermijdelijk en bovendien eenmalig. Het is nu zaak het verlies te nemen en uit de euro te stappen i.p.v. de steeds zwaarder wordende Zuideuropese molensteen om de hals te blijven voortslepen.

woensdag 28 maart 2012

Het eerste miljard

De coalitiepartijen VVD en CDA beraden zich samen met gedoogpartner PVV over de omvang en invulling van toekomstige bezuinigingen. Die bezuinigingen zijn hard nodig om het begrotingstekort en de snel oplopende staatsschuld onder controle te krijgen. Het beslag dat de overheid legt op de Nederlandse economie is dermate groot dat het verstikkend uitwerkt. Het is dan ook de hoogste tijd om in te grijpen, want kapot bezuinigen bestaat niet. Kapot belasten is wat we al een aantal decennia doen in ons land. Zoals de economen Boot, Van Wijnbergen en Bovenberg op 22 maart al stelden in NRC Handelsblad zal de kaasschaaf ons deze keer niet helpen. Dat moet ook niet, daarom reikt bijdrage het eerste miljard aan voor de onderhandelaars.

De afgelopen jaren zijn miljarden euro’s uitgegeven aan het re-integreren van werklozen en arbeidsgehandicapten. Een begin 2009 aan de Tweede Kamer toegestuurde zgn. beleidsdoorlichting concludeerde dat “re-integratie een klein positief effect heeft op de kans om een baan te vinden”. In reactie daarop werd al het nodige op budgetten gekort. In 2012 wordt echter nog steeds een bedrag van bijna 1 miljard euro uitgegeven aan re-integratie van werklozen en arbeidsgehandicapten. Dat is nog los van het geld dat wordt besteed aan uitvoeringskosten, het bemiddelen naar werk en het betalen van voorzieningen voor arbeidsgehandicapten voor b.v. aanpassing van de werkplek, die hier verder buiten beschouwing blijven. Het is vreemd om geld uit te geven aan iets wat “een klein positief effect heeft”. Hoeveel effect en of de kosten tegen de baten opwegen, dat maakt de beleidsdoorlichting niet duidelijk. Ook het onderzoek wat later is gepubliceerd over re-integratie maakt duidelijk dat er een taboe lijkt te rusten op het meten van de effectiviteit. Het gaat dan om de zogeheten netto effectiviteit, dat de vraag moet beantwoorden wat er zou zijn gebeurd als iemand geen re-integratie had gekregen.

Als iets een beperkt effect heeft en gegeven het feit dat er de afgelopen jaren al flink bezuinigd is op re-integratie zonder dat we daar veel van hebben gemerkt, dan is een bezuiniging waar we weinig last van zullen hebben gauw gevonden. Het enige “minpunt” is dat er een hele uitvoeringsindustrie rond re-integratie is ontstaan van duizenden mensen die op therapeutische wijze bezig zijn om werklozen te vertellen dat ze misschien eens aan de slag moesten gaan, maar daarvoor eerst een traject moeten volgen. Er zijn honderdduizenden werklozen en jaarlijks ook honderdduizenden re-integratietrajecten. Diegenen die daarbij zijn betrokken gaan moord en brand schreeuwen als hun banen worden weggesaneerd. Wellicht is er voor een deel van hen hoop als ze bereid zijn hun aanpak te veranderen. Recent onderzoek van de Inspectie van het Ministerie van SZW maakt duidelijk dat er nog wel een wereld te winnen is bij het handhaven van verplichtingen. De rapportage ‘Iedereen aan de slag’ (in februari 2012 aan de Tweede Kamer gestuurd) meldt dat ruim 40% van de WWB-ers en 70% van de WW-ers in het 1e jaar van de uitkering aangeeft dat ze verplicht worden te solliciteren. Van de WWB-ers en WW-ers die een jaar of langer een uitkering ontvangt, is dit respectievelijk 20% en 67%. Slechts een kwart van de WWB-ers en 31% van de WW-ers vindt dat zij werk moeten accepteren waarin ze geen zin hebben. Misschien wordt het tijd dat hier eens werk van wordt gemaakt en dat al die dure re-integratietrajecten achterwege blijven.

vrijdag 24 februari 2012

Suggestieve belastingpolitiek

NRC Handelsblad zette op 14 februari jl. in een tamelijk suggestief stuk de belastingplannen van Obama en Romney tegenover elkaar:
  • De plannen van Obama voorzien in de herinvoering van een belastingtarief van 39,6% voor inkomens boven de 200.000 dollar, het gelijkstellen van de vermogenswinstbelasting van 15% aan de loonbelasting en de invoering van de Buffett-regel: iedereen met een jaarinkomen van meer dan 1 miljoen dollar moet tenminste 30% daarvan aan belasting betalen.
  • Romney wil vasthouden aan het belastingregime van Bush dat gezinnen met een inkomen van 250.000 dollar of meer voordeel biedt. Dat zou aldus NRC de rijkste Amerikanen een voordeel van 80.000 dollar per jaar opleveren. Hij wil de dividend- en vermogenswinstbelasting afschaffen voor mensen met een inkomen beneden 200.000 dollar en de belasting voor bedrijven verlagen van 35% naar 25%.
Het stuk is bedoeld om de Republikeinen weg te zetten als belangenbehartigers van de rijken. Om de voorgestelde veranderingen te kunnen beoordelen, kan het geen kwaad om wat nader te kijken naar wat de huidige situatie is. De Republikeinse voorstellen worden dan een stuk logischer. Die van Obama enkel lastenverzwaringen. Het is niet de nuance die NRC zoekt en ook niet het beeld dat de gemiddelde Nederlander op het netvlies heeft.
 
Amerikanen geloven minder dan Nederlanders in de heilzame werking van de herverdelende hand van de overheid. Zij zijn meer van winnaars belonen i.p.v. winnaars belasten om verliezers te kunnen pamperen. Zij zijn dus ook minder gevoelig voor plannen die worden verkocht als het belasten van de rijken om ervoor te zorgen dat de overheid haar expansieve koers kan vervolgen en een steeds hoger beslag op de economie kan leggen. Amerikaanse burgers geven een dollar liever zelf uit dan dit door de overheid te laten doen. In Europa beginnen mensen dan gelijk te schreeuwen over sociale kaalslag en kapot bezuinigen, bij niveaus van overheidsuitgaven en belastingen echter die de economie verstikken. Toch lijkt de huidige recessie ook in Amerika iets te hebben veranderd.
 
De econoom N. Gregory Mankiw laat in zijn lezing met de titel ‘Spreading the Wealth Around’ zien dat de effectieve federale belastingdruk in de VS een progressief verloop heeft. Hij gebruikt daarvoor cijfers die zijn berekend door het politiek neutrale Congressional Budget Office. De belastingdruk loopt per quintiel met circa 5%-punt op, van gemiddeld 4,3% voor de laagste 20% van de inkomensverdeling tot gemiddeld 25,8% voor de bovenste 20%. De top 1 procent van de verdeling betaalt gemiddeld 31,2% aan belasting. De Buffet-belasting die Obama voorstelt is dus overbodig, want bestaat al. Maar hoe zit het dan met mensen als Buffett en Romney, die zelf aangeven maar 17,7 respectievelijk 15 procent effectief aan belasting te betalen? Het hoogste tarief in de Amerikaanse inkomstenbelasting is 35%; dividenden en vermogenswinsten worden echter belast tegen 15%. Het inkomen van mensen als Buffett en Romney bestaat grotendeels uit dividend en vermogenswinst. In bovenstaande berekening van de 31,2 procent is rekening gehouden met de totale belastingdruk: dus zowel inkomens- en loonbelasting als de winstbelasting die bedrijven betalen. Dit is ook waar de econoom en Nobelprijswinnaar Becker op wijst op het zeer lezenswaardige blog dat hij samen met rechter Posner onderhoudt. Amerika kent met 35 procent internationaal een van de hoogste tarieven van de winstbelasting van bedrijven. Winsten die leiden tot vermogensstijging of worden uitbetaald als dividend zijn dus eerst al belast tegen een tarief van 35% en worden vervolgens nog eens belast tegen een tarief van 15%. De belasting op de inkomens van Buffett en Romney bedraagt dus niet tenminste 15% maar 44,75%.
 
De Republikeinse voorstellen om de belastingdruk voor bedrijven te verlagen en inkomens tot 200.000 dollar vrij te stellen van dividend- en vermogenswinstbelasting zijn dus een stuk evenwichtiger dan op het eerste gezicht misschien lijkt. Zij brengen de maximale belastingdruk voor dividend en vermogenswinsten voor rijke Amerikanen terug tot maximaal 36,25% en voor lagere en middeninkomens tot maximaal 25%. Daarmee komt de belastingdruk op vermogen in lijn te liggen met die op arbeid, wat allerlei vormen van arbitrage nutteloos maakt. Obama bereikt hetzelfde effect ook, door de belasting op vermogen gelijk te trekken met die op inkomen. Dit is echter een lastenverzwaring, doordat het maximum tarief op dividend en vermogenswinst stijgt van 15 procent tot 35 procent. Het is de vraag of de lastenverlichtingen van de Republikeinen te financieren zijn de komende jaren. Daar staan echter alleen ordinaire lastenverzwaring van Obama vooral om inkomenspolitieke redenen tegenover. Dat soort beleid heeft nog nooit extra investeringen en werkgelegenheid opgeleverd, het tegendeel wel.
 
Laten we tot slot de CBS-cijfers voor Nederland er nog even bij pakken. Deze laten de winstbelasting op bedrijven buiten beschouwing. Hieruit blijkt dat de 10% laagste inkomens in de verdeling 4,6% van hun bruto inkomen aan belastingen en premies betalen; de 10% hoogste inkomens betalen 27,5% van hun bruto inkomen aan belastingen en premies. Dit leidt ertoe dat de 20% hoogste inkomens de helft van alle belastingen en premies betalen; het laagste deciel 2% en de onderste helft van de verdeling 19% van het totaal. Toegegeven, dat kan nog veel schever, zoals de SP het graag ziet met een forse verhoging van de tarieven. Mijn conclusie is echter een andere: de sterkste schouders dragen in Nederland al verreweg de meeste lasten. Die nuance mist in de discussie over belastingen en inkomensherverdeling, in zowel de VS als in Nederland.

woensdag 1 februari 2012

Rechters met oogkleppen

Het recht is er voor de mensen. Het moet geen doel op zich worden. Er is echter een kaste in Nederland die zich blind lijkt te staren op wat is vastgelegd in wet- en regelgeving en daar een hele enge (in meerdere zin) interpretatie aan geeft. Zo wekte de rechterlijke uitspraak verbazing die het lang van tevoren aangekondigde intrekken van de speciale bijstandsregeling voor ‘kunstenaars’ (de WWIK) in strijd noemde met het recht op eigendom dat is vastgelegd in het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens, mede vanwege het ontbreken van een overgangsregeling. Ik wil hier de aandacht vestigen op een andere uitspraak, die wijst op een gebrek aan economische kennis bij rechters en blindheid voor de maatschappelijke gevolgen van hun uitspraken.

Afgelopen week werd er uitspraak gedaan in de zgn. Klimop-zaak. Tegen werknemers van Bouwfonds en van het Philips-pensioenfonds waren forse straffen geëist door het Openbaar Ministerie. Ook de rechters achtten bewezen dat de mannen zichzelf vorstelijk hadden verrijkt, maar oordeelde over deze feiten een stuk milder. Immers, ook het Bouwfonds was er beter van geworden. De indruk die hierdoor ontstaat, is dat het een beetje afromen van de winst voor eigen gebruik minder erg is dan zelfverrijking als er verlies wordt geleden. Het blijft echter gewoon diefstal. In de booming vastgoedmarkt waarvan tot 2008 sprake was, was het bovendien niet zo heel moeilijk om winst te maken. Als de winst al was toe te schrijven aan het individuele handelen van betrokkenen, dan hadden zij over de verdeling daarvan vooraf afspraken moeten maken en zichzelf niet een deel daarvan buiten de boeken moeten uitkeren. Alleen een jurist met oogkleppen op ziet dit als een verzachtende omstandigheid.

Wat nog erger is aan het vonnis is dat de rechters totaal voorbij zijn gegaan aan het argument van het OM dat het handelen van de verdachten bredere uitstralingseffecten heeft. Het totaal aan ingepikte gelden bedroeg een paar honderd miljoen euro (alleen hoofdverdachte Jan van V. heeft al 70 miljoen euro terug moeten betalen). Inderdaad, op het totaal aan beleggingen was dit een klein percentage en het ging alleen maar om geld. Er is niemand gewond geraakt of erger. Dit miskent echter de rol van geld in de economie en ook de rol die pensioenfondsen hebben. Deelnemers moeten erop kunnen vertrouwen dat pensioenfondsen prudent omgaan met hun inleg. De schaamteloze zelfverrijking, waarbij de heren ervan uit gingen dat de pakkans laag zou zijn, doet het wantrouwen tegen anderen in dergelijke functies toenemen. Wie garandeert in de voor de burger ondoorzichtige miljoenendans rond beleggingen in vastgoed (of welk ander goed dan ook) dat er niet iets aan de strijkstok blijft hangen? Het is zo gemakkelijk hier en daar een klein percentage af te romen en de buit onderling te verdelen. Daarom moet dergelijk gedrag hard gestraft worden. Een geringe pakkans kan alleen worden gecompenseerd door een hoge straf, wil de verwachte uitkomst (pakkans x straf) een afschrikwekkend effect hebben. Vier jaar voor de hoofdverdachte voor het achterover drukken van enkele honderden miljoenen is veel te laag en gaat voorbij aan het ondermijnend effect op het vertrouwen van de burger hoe er met zijn geld wordt omgegaan. Ook de uitstraling die dergelijk handelen heeft en de bredere gevolgen voor het maatschappelijk vertrouwen moeten in een straf worden meegenomen. Maar wat kun je verwachten van een rechterlijke macht die zo weinig besef heeft van wat bezit is, dat het intrekken van de WWIK in strijd wordt genoemd met het recht op eigendom en het kraken van een huis niet. Dat ook het vertrouwen in de rechtspraak hierdoor stevig wordt ondermijnd, lijkt de rechters niet te deren.