Volgens minister Bos betekent de huidige financiële crisis het einde van het neoliberale ordeningssysteem. Tegelijkertijd hebben meer dan 100 economen in een open brief aan het Amerikaanse Congres gewezen op de rol van private kapitaalmarkten, die met hun dynamiek en innovaties bijgedragen hebben aan een enorme welvaartsgroei die zijn weerga niet kent in de geschiedenis. Onder economen is er vrijwel consensus dat het (door Bos met neoliberaal aangeduide) marktmechanisme als economisch coördinatiemechanisme de voorkeur geniet. De destabiliserende invloed van banken op de conjunctuur werd jaren geleden al onderkend door Friedrich Hayek, een marktdenker bij uitstek, die daarvoor de Nobelprijs economie ontving. Wat is er aan de hand en hoe moet het verder?
Als het om geld gaat speelt vertrouwen een grote rol. Hechte onderlinge relaties kunnen bij het omvallen van één partij een kettingreactie in gang zetten. Reden waarom de overheid sterk regulerend optreedt. Van volledig vrije marktwerking is daarom op financiële markten geen sprake. In het spanningsveld tussen regulator en gereguleerde zoekt de laatste voortdurend de grenzen op van regelgeving en tracht de daarin gevonden gaten te benutten. Niet reguleren van financiële markten is te risicovol, maar ook overheidsingrijpen is vol met risico. Het is dus zaak de marktwerking te omringen met zorgvuldig vormgegeven instituties. Volgens een andere Nobelprijswinnaar, Douglas North zijn instituties: “formele regels, de handhaving daarvan en informele normen, die herhaald menselijk handelen structureren”.
De gebrekkige regels, de inadequate handhaving ervan en het gedrag van financiële marktpartijen hebben de financiële crisis veroorzaakt, maar bieden tevens de aanknopingspunten voor een uitweg:
1. De hypotheekcrisis in de VS vindt deels zijn oorsprong in de vergaande bemoeienis van de overheid met de kredietverstrekking (via b.v. Fannie Mae en Freddie Mac). Het ruime monetaire beleid faciliteerde het proces. De te lage rente en de ruime voorradigheid van geld dat een bestemming zocht, maakte een uitbundige kredietverstrekking mogelijk. Economen behoren te weten dat je met beleid de conjunctuur niet kunt sturen. Het monetaire beleid moet dan ook uitsluitend gericht zijn op prijsstabiliteit, met een geldgroei die maakt dat kredietverlening in de pas loopt met onderliggende reële ontwikkelingen. Regulators moeten erkennen dat hun toezicht niet perfect is en dat hun optreden nieuwe distorties uitlokt. Eenvoudiger regels zijn wenselijk, die een lange termijn perspectief hanteren. Ze mogen geen partijen uitzonderen, zoals in Amerika de genoemde hypotheekbanken en ook de zakenbanken, waardoor deze te grote risico’s hebben genomen. Nieuwe regels kunnen echter leiden tot nieuwe onevenwichtigheden, zoals de na de schandalen begin deze eeuw met Enron geïntroduceerde Sarbanes-Oxleywet illustreert. Deze dwingt financiële instellingen hun bezittingen zoveel mogelijk tegen de huidige marktwaarde op te nemen, wat tot het afboeken van schulden leidt terwijl er tijdelijk geen redelijke prijsvorming is.
2. Al in een eerder stadium stonden vele signalen op rood. Resoluut optreden van toezichthouders had een einde aan de scheefgroei kunnen maken. Waar het op aan komt voor elke toezichthouder is durven optreden. Dit betekent dat de verwachtingen bij marktpartijen goed gemanaged moeten worden: faillissement bij omvallen, ontslag bij falen, gevangenisstraf bij fraude of voorkennis en extra beloning alleen bij uitzonderlijke prestaties in lange termijn perspectief. Minder in plaats van meer overheidsgaranties.
3. Zolang meedoen aan de onhoudbare ‘bubble’ op de Amerikaanse huizenmarkt superieure rendementen opleverde en dat tegelijkertijd de maatstaf vormde voor het beoordelen van behaalde prestaties en zolang de zeepbel niet barstte, ging iedereen ermee door. Velen schreven positieve resultaten toe aan briljant eigen inzicht. Nu het slecht gaat is het systeem in gevaar en klapt de ‘gouden parachute’ open. De financiële sector moet daarom afscheid nemen van het financiële trapezewerk en de zelfverrijking met exorbitante bonussen. Aandeelhouders en bestuurders zijn de partijen die over de hele cyclus het ondernemingsrisico moeten dragen en niet de laagconjunctuur moeten afwentelen op de belastingbetaler.
Het huidige toezichtkader en de reacties van autoriteiten op de zich verspreidende financiële crisis hebben een verwachtingspatroon gecreëerd dat massief overheidsingrijpen nu onontkoombaar maakt. De kunst voor overheid en toezichthouders is om te ontkomen aan het steeds verder escaleren van interventies. De overheid heeft niet de capaciteiten om banken te managen en moet daar zo spoedig mogelijk vanaf. De in paniek uitonderhandelde prijs van €16,8 miljard euro voor Fortis Nederland zou wel eens ver verwijderd kunnen zijn van de werkelijke (nu niet vast te stellen) waarde. Een saneringsproces via een periode van laagconjunctuur is noodzakelijk en hoe eerder dat is voltooid hoe sneller de groei weer zal aantrekken. Verlagen van de rente of opvoeren van de overheidsuitgaven in een poging dit te voorkomen is geen oplossing. Dit leidt slechts tot nieuwe scheefgroei en lost de bestaande niet op.
Regels en toezicht zullen nooit perfect worden en de conjunctuur valt niet te sturen. Dat erkennen maakt partijen bescheidener in hun ambities en handelen en kan daarmee de omvang en impact van toekomstige financiële crises binnen de perken houden. Voor de markt is er geen beter alternatief; voor de huidige instituties wel.
zondag 9 november 2008
dinsdag 7 oktober 2008
Financiële crisis toont ook overheidsfalen
Volgens minister van Financiën Bos marcheren de socialisten Wall Street binnen en betekent de zich steeds nadrukkelijker manifesterende financiële crisis het einde van het neoliberale ordeningssysteem.
Onder economen is er vrijwel consensus dat het (door Bos kennelijk met neoliberaal aangeduide) marktmechanisme als economisch coördinatiemechanisme de voorkeur geniet boven staatsingrijpen. De destabiliserende invloed van banken op de conjunctuur werd al vroeg onderkend door Friedrich Hayek, als vertegenwoordiger van de Oostenrijkse school een marktdenker bij uitstek. Voor zijn monetaire conjunctuurtheorie ontving hij de Nobelprijs voor economie. Het zijn dus niet alleen socialisten die oog hiervoor hebben. De vraag rijst juist of niet ook sprake is van overheidsfalen.
Als het om geld gaat speelt vertrouwen een grote rol. Hechte onderlinge relaties kunnen bij het omvallen van één partij een kettingreactie in gang zetten. Reden waarom de overheid regulerend optreedt. Dat leidt wel tot een voortdurend spanningsveld tussen regulator en gereguleerde. De laatste zoekt de grenzen op van regelgeving en tracht de daarin gevonden gaten uit te buiten. Niet reguleren van financiële markten is te risicovol, maar ook overheidsingrijpen is vol met risico.
Financiële instellingen hadden heus de onhoudbare ‘bubble’ op de Amerikaanse huizenmarkt wel in de gaten. Zolang meedoen superieure rendementen opleverde en dat tegelijkertijd de maatstaf vormde voor het beoordelen van behaalde prestaties en zolang de bubble niet barstte, ging iedereen ermee door. Resoluut optreden van toezichthouders in een eerder stadium had hier een einde aan kunnen maken. Het uitblijven hiervan toont aan dat er naast het inmiddels breed uitgemeten ‘markt’-falen ook sprake is van overheidsfalen.
Belangrijkste regel uit de beleggingstheorie is dat een hoog risico gepaard moet gaan met een hoog rendement. Nu speculeerden velen op een hoog rendement zonder risico door positieve resultaten te incasseren en toe te schrijven aan briljant eigen inzicht en bij negatieve rendementen te verklaren dat het systeem in gevaar is om veevolgens de ‘gouden parachute’ open te klappen. Op die manier heb je als bestuurder alleen maar rendement en geen enkele risico.
Het begon allemaal met het verstrekken hypotheken aan Amerikanen met een te laag inkomen die onder normale marktverhoudingen nooit een lening zouden krijgen. Door hen voordelige instaptarieven te bieden, konden ze de lening aanvankelijk financieren uit hun inkomen en vervolgens uit de toename van hun vermogen als gevolg van de almaar stijgende huizenprijs. Om de hypotheekverstrekker een graantje te laten meepikken, ging na de instapperiode de rente fors omhoog zodat die ook niet meer uit het inkomen van de betrokkene te financieren viel. Veel van deze hypotheken werden doorverkocht, vaak gebundeld met hypotheken van meer kredietwaardige klanten. Daardoor viel echter niet meer te achterhalen hoe het totale plaatje eruit zag. Gevolg hiervan was dat risico en rendement niet meer in de juiste verhouding stonden. Het ruime monetaire beleid faciliteerde dit proces. De te lage rente en de ruime voorradigheid van geld dat een bestemming zocht, maakte een uitbundige kredietverstrekking mogelijk. Dit maakt dat dit ook een crisis is van de monetaire autoriteiten. Wie hen nu als helden ziet, verliest de substantiële bijdrage aan het ontstaan van de crisis uit het oog. Het gaat hier ook om overheidsfalen.
Het huidige toezichtkader en de reacties van autoriteiten op de zich verspreidende financiële crisis hebben een verwachtingspatroon gecreëerd dat massief overheidsingrijpen onontkoombaar maakt. De kunst voor overheid en toezichthouders is nu om te ontkomen aan het steeds verder escaleren van interventies. De ervaring leert dat als de overheid eenmaal ingrijpt dit steeds verdergaande interventies uitlokt. Voor de korte termijn moet de financiële sector afscheid nemen van het financiële trapezewerk en de zelfverrijking met exorbitante bonussen die in een goed werkende arbeidsmarkt niet bestaan. Regulators moeten erkennen dat hun toezicht niet perfect is, zeker niet in dynamisch perspectief, en dat hun optreden nieuwe distorties uitlokt en aanleiding geeft tot overheidsfalen. Met name de Fed (maar ook de Franse regering) moet afstappen van de notie dat met monetair beleid de conjunctuur in de gewenste richting te sturen valt. Evenwichtsherstel op de financiële markten vergt nu juist een verhoging van de rente (met name in de VS) om meer besparingen uit te lokken. Pas als het noodzakelijke saneringsproces is voltooid, kan de groei zich weer herstellen. Laagconjunctuur is een noodzakelijk saneringsproces en hoe eerder dat is voltooid hoe sneller de groei weer zal aantrekken. De Nederlandse politiek steekt de kop in het zand als het denkt hieraan te kunnen ontkomen en dat de groeivertraging aan ons land of aan Europa voorbij zal gaan. Dit laatste valt ook niet te hopen, omdat het bestaande onevenwichtigheden in stand houdt.
Voor de langere termijn zal een weg naar juist meer de markt zijn heilzame werking laten doen moeten worden ingeslagen, zowel in het monetaire beleid als het toezicht. Dit betekent een monetair beleid uitsluitend gericht op prijsstabiliteit, omdat de conjunctuur (en daarmee de groei) niet gestuurd kan worden. Een geldgroei die maakt dat kredietverlening in de pas loopt met onderliggende reële ontwikkelingen. De overheid kan wel slechte leningen overnemen, maar het overnemen van banken moet zij vermijden. Het ontbreekt haar aan de capaciteiten om deze te managen. Verder zijn eenvoudiger regels en zo nodig snel en adequaat ingrijpen gewenst. Het laatste betekent dat de verwachtingen bij marktpartijen goed gemanaged moeten worden: ontslag bij falen, gevangenisstraf bij fraude of voorkennis, extra beloning alleen bij uitzonderlijke prestaties in lange termijn perspectief en faillissement bij omvallen. Aandeelhouders en bestuurders zijn de partijen die over de hele cyclus het ondernemingsrisico moeten dragen en niet de laagconjunctuur afwentelen op de belastingbetaler. Het spanningsveld tussen toezichtsautoriteiten en marktpartijen zal altijd blijven bestaan en ook het optreden van marktfalen en overheidsfalen. Dat te erkennen maakt partijen bescheidener voor de toekomst in hun ambities en handelen en kan daarmee de omvang en impact van toekomstige financiële crises binnen de perken houden.
Onder economen is er vrijwel consensus dat het (door Bos kennelijk met neoliberaal aangeduide) marktmechanisme als economisch coördinatiemechanisme de voorkeur geniet boven staatsingrijpen. De destabiliserende invloed van banken op de conjunctuur werd al vroeg onderkend door Friedrich Hayek, als vertegenwoordiger van de Oostenrijkse school een marktdenker bij uitstek. Voor zijn monetaire conjunctuurtheorie ontving hij de Nobelprijs voor economie. Het zijn dus niet alleen socialisten die oog hiervoor hebben. De vraag rijst juist of niet ook sprake is van overheidsfalen.
Als het om geld gaat speelt vertrouwen een grote rol. Hechte onderlinge relaties kunnen bij het omvallen van één partij een kettingreactie in gang zetten. Reden waarom de overheid regulerend optreedt. Dat leidt wel tot een voortdurend spanningsveld tussen regulator en gereguleerde. De laatste zoekt de grenzen op van regelgeving en tracht de daarin gevonden gaten uit te buiten. Niet reguleren van financiële markten is te risicovol, maar ook overheidsingrijpen is vol met risico.
Financiële instellingen hadden heus de onhoudbare ‘bubble’ op de Amerikaanse huizenmarkt wel in de gaten. Zolang meedoen superieure rendementen opleverde en dat tegelijkertijd de maatstaf vormde voor het beoordelen van behaalde prestaties en zolang de bubble niet barstte, ging iedereen ermee door. Resoluut optreden van toezichthouders in een eerder stadium had hier een einde aan kunnen maken. Het uitblijven hiervan toont aan dat er naast het inmiddels breed uitgemeten ‘markt’-falen ook sprake is van overheidsfalen.
Belangrijkste regel uit de beleggingstheorie is dat een hoog risico gepaard moet gaan met een hoog rendement. Nu speculeerden velen op een hoog rendement zonder risico door positieve resultaten te incasseren en toe te schrijven aan briljant eigen inzicht en bij negatieve rendementen te verklaren dat het systeem in gevaar is om veevolgens de ‘gouden parachute’ open te klappen. Op die manier heb je als bestuurder alleen maar rendement en geen enkele risico.
Het begon allemaal met het verstrekken hypotheken aan Amerikanen met een te laag inkomen die onder normale marktverhoudingen nooit een lening zouden krijgen. Door hen voordelige instaptarieven te bieden, konden ze de lening aanvankelijk financieren uit hun inkomen en vervolgens uit de toename van hun vermogen als gevolg van de almaar stijgende huizenprijs. Om de hypotheekverstrekker een graantje te laten meepikken, ging na de instapperiode de rente fors omhoog zodat die ook niet meer uit het inkomen van de betrokkene te financieren viel. Veel van deze hypotheken werden doorverkocht, vaak gebundeld met hypotheken van meer kredietwaardige klanten. Daardoor viel echter niet meer te achterhalen hoe het totale plaatje eruit zag. Gevolg hiervan was dat risico en rendement niet meer in de juiste verhouding stonden. Het ruime monetaire beleid faciliteerde dit proces. De te lage rente en de ruime voorradigheid van geld dat een bestemming zocht, maakte een uitbundige kredietverstrekking mogelijk. Dit maakt dat dit ook een crisis is van de monetaire autoriteiten. Wie hen nu als helden ziet, verliest de substantiële bijdrage aan het ontstaan van de crisis uit het oog. Het gaat hier ook om overheidsfalen.
Het huidige toezichtkader en de reacties van autoriteiten op de zich verspreidende financiële crisis hebben een verwachtingspatroon gecreëerd dat massief overheidsingrijpen onontkoombaar maakt. De kunst voor overheid en toezichthouders is nu om te ontkomen aan het steeds verder escaleren van interventies. De ervaring leert dat als de overheid eenmaal ingrijpt dit steeds verdergaande interventies uitlokt. Voor de korte termijn moet de financiële sector afscheid nemen van het financiële trapezewerk en de zelfverrijking met exorbitante bonussen die in een goed werkende arbeidsmarkt niet bestaan. Regulators moeten erkennen dat hun toezicht niet perfect is, zeker niet in dynamisch perspectief, en dat hun optreden nieuwe distorties uitlokt en aanleiding geeft tot overheidsfalen. Met name de Fed (maar ook de Franse regering) moet afstappen van de notie dat met monetair beleid de conjunctuur in de gewenste richting te sturen valt. Evenwichtsherstel op de financiële markten vergt nu juist een verhoging van de rente (met name in de VS) om meer besparingen uit te lokken. Pas als het noodzakelijke saneringsproces is voltooid, kan de groei zich weer herstellen. Laagconjunctuur is een noodzakelijk saneringsproces en hoe eerder dat is voltooid hoe sneller de groei weer zal aantrekken. De Nederlandse politiek steekt de kop in het zand als het denkt hieraan te kunnen ontkomen en dat de groeivertraging aan ons land of aan Europa voorbij zal gaan. Dit laatste valt ook niet te hopen, omdat het bestaande onevenwichtigheden in stand houdt.
Voor de langere termijn zal een weg naar juist meer de markt zijn heilzame werking laten doen moeten worden ingeslagen, zowel in het monetaire beleid als het toezicht. Dit betekent een monetair beleid uitsluitend gericht op prijsstabiliteit, omdat de conjunctuur (en daarmee de groei) niet gestuurd kan worden. Een geldgroei die maakt dat kredietverlening in de pas loopt met onderliggende reële ontwikkelingen. De overheid kan wel slechte leningen overnemen, maar het overnemen van banken moet zij vermijden. Het ontbreekt haar aan de capaciteiten om deze te managen. Verder zijn eenvoudiger regels en zo nodig snel en adequaat ingrijpen gewenst. Het laatste betekent dat de verwachtingen bij marktpartijen goed gemanaged moeten worden: ontslag bij falen, gevangenisstraf bij fraude of voorkennis, extra beloning alleen bij uitzonderlijke prestaties in lange termijn perspectief en faillissement bij omvallen. Aandeelhouders en bestuurders zijn de partijen die over de hele cyclus het ondernemingsrisico moeten dragen en niet de laagconjunctuur afwentelen op de belastingbetaler. Het spanningsveld tussen toezichtsautoriteiten en marktpartijen zal altijd blijven bestaan en ook het optreden van marktfalen en overheidsfalen. Dat te erkennen maakt partijen bescheidener voor de toekomst in hun ambities en handelen en kan daarmee de omvang en impact van toekomstige financiële crises binnen de perken houden.
donderdag 18 september 2008
Prinsjesdag 2008
Het eerste wat opvalt bij het lezen van de Rijksbegroting voor 2009 is dat het kabinet opnieuw veel extra geld uitgeeft. In twee jaar tijd bijna 26 miljard meer ofwel een uitgavenstijging van 13 procent. Gevolg hiervan is dat de economische groei van de laatste jaren vooral is opgeslokt door de overheid. De burger heeft zijn koopkracht nauwelijks zien toenemen. Het illustreert de reflex waarin dit kabinet schiet als er zich een probleem aandient of een onderwerp om aandacht vraagt: meer geld, door de overheid te besteden. Een reflex overigens niet alleen van het kabinet maar eentje die breed leeft in de samenleving: bij menig ‘probleem’ wordt meteen geroepen om overheidsingrijpen of de oorzaak geweten aan het achterwege blijven hiervan.
De vraag is of al die uitgavenstijgingen niet leiden tot oplopende tekorten. Dat is wel degelijk het geval als we kijken naar de rijksbegroting in enge zin, hoewel de oploop hiervan wordt afgeremd door de enorme toename van de aardgasbaten. De laatste jaren is echter vooral het EMU-saldo als maatstaf voor de overheidsfinanciën in zwang gekomen. Dit EMU-saldo omvat een groter aantal componenten dan de indicatoren die in het verleden werden gebruikt voor het beoordelen van de staatsfinanciën. Gevolg is wel dat het EMU-saldo het gemakkelijker maakt om overschotten op het ene onderdeel te gebruiken om tekorten op een ander onderdeel te compenseren (of zo men wil te maskeren). Zo vertonen de sociale fondsen al jaren per saldo een flink positief saldo, dat echter niet kan worden teruggegeven aan werkgevers en werknemers zolang de rijksbegroting in enge zin flink in de min staat.
Wie verder heel precies naar de begroting kijkt, ziet dat het kabinet wel degelijk de eigen begrotingsregels overtreedt. Van de € 2,5 miljard lastenverlichting in 2009 wordt € 2 miljard gedekt door extra lastenverzwaringen in 2010 en 2011. Een bedrag van € 0,5 miljard blijft als structurele lastenverlichting binnen deze kabinetsperiode ongedekt. Deze bijstelling van het lastenkader is niet conform de begrotingsregels. Dan is er nog de zogeheten ruilvoetwinst, die voortvloeit uit de hoger dan verwachte inflatie. Doordat de prijsstijging van de overheidsuitgaven achterblijft bij het voor het Rijk beschikbare met de inflatie aangepaste uitgavenkader kan meer geld worden besteed.
En dan is er elk jaar weer dezelfde discussie over de koopkracht van de laagste inkomens. Telkens weer wordt op ‘sociale’ gronden betoogt dat de minima tenminste koopkrachtbehoud moet worden gegarandeerd. Nu zeggen de koopkrachtplaatjes en –puntenwolken niet altijd evenveel over wat er in de praktijk gebeurt, maar de uitkomst van deze discussie is wel dat het steeds de andere inkomensgroepen zijn die de klappen van de conjunctuur opvangen. Het CBS liet vorige week in de publicatie De Nederlandse economie in 2007 al zien dat de inkomensverdeling in ons land al sinds 1980 stabiel is, ondanks al het gejammer van links dat de rijken steeds rijker worden. Echter, hierdoor is de broodnodige differentiatie ver te zoeken. Prijssignalen worden gedempt door overheidsbeleid dat inactiviteit beloont. De prikkel om aan het werk te gaan, zich te scholen en beter betaald werk te aanvaarden mag misschien aanwezig zijn maar is in Nederland in ieder geval niet financieel van aard. Ook is er de negatieve uitwerking op de arbeidsmobiliteit, die met name voor ouderen nog eens extra wordt versterkt door het rigide ontslagrecht dat werkgevers sterker beboet naarmate zij mensen met een langer dienstverband ontslaan.
Om de negatieve effecten van het voorgaande op te vangen is er, inderdaad, de roep om meer overheidsbeleid: investeren in scholing, bonussen om aan het werk te gaan of langer door te werken, Taskforce deeltijd plus, etc. Om dat beleid te financieren is weer geld nodig, dat nooit elders binnen de begroting kan worden gevonden. Overheidsfalen, zoals nu alweer zichtbaar wordt in de prachtwijken van minister Vogelaar, leidt alleen maar tot vragen om nog meer geld wat voor de wijken ook weer in deze begroting is gerealiseerd. Zo bevinden we ons met dit kabinet in een vicieuze cirkel waarin meer overheidsbemoeienis resulteert in meer overheidsuitgaven en een toenemend beslag van de overheid op het nationaal inkomen. De verdere collectivisatie van de Nederlandse economie wordt daarmee een ‘selffulfilling prophecy’.
De vraag is of al die uitgavenstijgingen niet leiden tot oplopende tekorten. Dat is wel degelijk het geval als we kijken naar de rijksbegroting in enge zin, hoewel de oploop hiervan wordt afgeremd door de enorme toename van de aardgasbaten. De laatste jaren is echter vooral het EMU-saldo als maatstaf voor de overheidsfinanciën in zwang gekomen. Dit EMU-saldo omvat een groter aantal componenten dan de indicatoren die in het verleden werden gebruikt voor het beoordelen van de staatsfinanciën. Gevolg is wel dat het EMU-saldo het gemakkelijker maakt om overschotten op het ene onderdeel te gebruiken om tekorten op een ander onderdeel te compenseren (of zo men wil te maskeren). Zo vertonen de sociale fondsen al jaren per saldo een flink positief saldo, dat echter niet kan worden teruggegeven aan werkgevers en werknemers zolang de rijksbegroting in enge zin flink in de min staat.
Wie verder heel precies naar de begroting kijkt, ziet dat het kabinet wel degelijk de eigen begrotingsregels overtreedt. Van de € 2,5 miljard lastenverlichting in 2009 wordt € 2 miljard gedekt door extra lastenverzwaringen in 2010 en 2011. Een bedrag van € 0,5 miljard blijft als structurele lastenverlichting binnen deze kabinetsperiode ongedekt. Deze bijstelling van het lastenkader is niet conform de begrotingsregels. Dan is er nog de zogeheten ruilvoetwinst, die voortvloeit uit de hoger dan verwachte inflatie. Doordat de prijsstijging van de overheidsuitgaven achterblijft bij het voor het Rijk beschikbare met de inflatie aangepaste uitgavenkader kan meer geld worden besteed.
En dan is er elk jaar weer dezelfde discussie over de koopkracht van de laagste inkomens. Telkens weer wordt op ‘sociale’ gronden betoogt dat de minima tenminste koopkrachtbehoud moet worden gegarandeerd. Nu zeggen de koopkrachtplaatjes en –puntenwolken niet altijd evenveel over wat er in de praktijk gebeurt, maar de uitkomst van deze discussie is wel dat het steeds de andere inkomensgroepen zijn die de klappen van de conjunctuur opvangen. Het CBS liet vorige week in de publicatie De Nederlandse economie in 2007 al zien dat de inkomensverdeling in ons land al sinds 1980 stabiel is, ondanks al het gejammer van links dat de rijken steeds rijker worden. Echter, hierdoor is de broodnodige differentiatie ver te zoeken. Prijssignalen worden gedempt door overheidsbeleid dat inactiviteit beloont. De prikkel om aan het werk te gaan, zich te scholen en beter betaald werk te aanvaarden mag misschien aanwezig zijn maar is in Nederland in ieder geval niet financieel van aard. Ook is er de negatieve uitwerking op de arbeidsmobiliteit, die met name voor ouderen nog eens extra wordt versterkt door het rigide ontslagrecht dat werkgevers sterker beboet naarmate zij mensen met een langer dienstverband ontslaan.
Om de negatieve effecten van het voorgaande op te vangen is er, inderdaad, de roep om meer overheidsbeleid: investeren in scholing, bonussen om aan het werk te gaan of langer door te werken, Taskforce deeltijd plus, etc. Om dat beleid te financieren is weer geld nodig, dat nooit elders binnen de begroting kan worden gevonden. Overheidsfalen, zoals nu alweer zichtbaar wordt in de prachtwijken van minister Vogelaar, leidt alleen maar tot vragen om nog meer geld wat voor de wijken ook weer in deze begroting is gerealiseerd. Zo bevinden we ons met dit kabinet in een vicieuze cirkel waarin meer overheidsbemoeienis resulteert in meer overheidsuitgaven en een toenemend beslag van de overheid op het nationaal inkomen. De verdere collectivisatie van de Nederlandse economie wordt daarmee een ‘selffulfilling prophecy’.
Abonneren op:
Posts (Atom)