Dankzij de ‘financiële crisis’ is de overheid weer helemaal terug. Een greep uit een aantal recente berichten leert dat het Ministerie van Financiën tientallen vacatures heeft opengesteld om mensen te werven die de crisis moeten aanpakken, een nieuwe financiële infrastructuur ontwerpen en de recent verworven deelnemingen beheren. Lokale bestuurders in Zuid-Limburg willen extra belasting heffen om werkgelegenheidsinitiatieven te financieren. Als de afgelopen tientallen jaren iets geleerd hebben op dit terrein is het dat het scheppen van werkgelegenheid door de overheid een hele dure aangelegenheid is zonder blijvend effect. Extra belastingen belemmeren sowieso de groei. Het Ministerie van SZW heeft ‘taskforces’ in het leven geroepen om deeltijdwerkers te stimuleren om meer uren te werken en om werkgevers aan te zetten meer werknemers van boven de 45 aan te nemen. Hiermee zijn miljoenenbedragen gemoeid. Dat het hierbij gaat om symptoombestrijding mag niet deren, want voor het bewaren van de lieve vrede in de coalitie mogen de achterliggende oorzaken niet worden aangepakt. Deeltijders werken vooral niet meer uren omdat het financieel niets oplevert als gekeken wordt naar het totale huishoudinkomen. Dat komt door de hoge belasting- en premiedruk in ons land en de neiging alles inkomensafhankelijk te maken onder de dooddoener ‘de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten’. Eerder is in deze kolommen al opgemerkt dat dit onderhand erop neerkomt dat de sterkste schouders alle lasten dragen.
Dan is er nog beleid dat ingegeven is door politieke correctheid en dat jacht maakt op fantomen. Zo is op basis van loongegevens door de Arbeidsinspectie (AI) berekend dat er grote beloningsverschillen zijn tussen mannen en vrouwen. Voor een aanzienlijk deel zijn deze ook volgens de AI terug te voeren op zgn. ‘objectieve’ verschillen als de sectoren waarin mensen werkzaam zijn of dat ze voltijds of in deeltijd werken. Een restant van 6%-punt blijft onverklaard, reden voor politici uit linkse en feministische hoek om hard ‘discriminatie’ te roepen. Wie de economische literatuur op dit terrein bestudeert, zal echter zien dat een dergelijk ‘onverklaarbaar’ deel internationaal heel gewoon is. De verklaring voor het onverklaarbare is dat werkgevers niet op hun achterhoofd zijn gevallen. Vrouwen gedragen zich anders dan mannen op de arbeidsmarkt en zullen als puntje bij paaltje komt eerder hun gezinsleven voorrang geven. Dit mindere ‘commitment’ leidt ertoe dat werkgevers hierop anticiperend terughoudender zijn in het belonen en promoveren van vrouwen, tenzij deze zich helemaal hebben aangepast aan de mores in hun ‘mannensector’. Het is één van de redenen waarom er typisch mannelijke en typisch vrouwelijke beroepen en dito sectoren bestaan. Die werkgevers die graag vrouwen in dienst willen nemen, weten dat ze vooral oog moeten hebben voor secundaire arbeidsvoorwaarden als verlofregelingen en de betaling daarvan. Aan dit verschil doet geen overheidscampagne iets af.
Tenslotte is er nog het beleid waarvan men veel verwacht maar dat deze belofte nooit heeft ingelost. De Regeling dienstverlening aan huis is hiervan een voorbeeld. De politiek ziet al jaren een enorme behoefte onder tweeverdieners voor het inhuren van mensen die allerhande klusjes in en om het huis voor hun rekening kunnen nemen. Om de concurrentie met zwart werken aan te gaan is men bereid er veel belastinggeld tegen aan te gooien. Het komt echter in niemand op dat de prijs van arbeid aan de zgn. onderkant van de arbeidsmarkt sowieso veel te hoog is. En ook vraagt niemand zich af of er wel voldoende mensen te vinden zijn die tegen een lage beloning deze klusjes willen uitvoeren. De ervaring in b.v. de land- en tuinbouw stemt wat dat betreft niet vrolijk. De meeste werklozen hebben een reserveringsloon dat ruim boven het niveau van hun uitkering ligt. Kortom, het is veel waarschijnlijker dat dit verwachte potentieel nooit zal worden gerealiseerd.Het voorgaande illustreert waar de politiek mee bezig is. Men overschat de eigen instrumenten en mogelijkheden, er is een enorme focus op details, eigen stokpaarden worden veelvuldig van stal gehaald en nuchter nadenken moet wijken voor ideologie. Sturen op hoofdlijnen en een belasting- en uitkeringsstelsel ontwerpen dat initiatief stimuleert en niets doen bestraft is te veel gevraagd.
woensdag 14 januari 2009
dinsdag 2 december 2008
Recessie is een noodzakelijk kwaad
Meestal wordt beweerd dat elke volgende hoogconjunctuur zo uniek is dat een nieuw tijdperk van nimmer aflatende groei wordt betreden. De stuurmanskunst van monetaire autoriteiten, de komst van internet en in een verder verleden keynesiaans begrotingsbeleid zouden een neergang van de economie voor altijd kunnen voorkomen. Dit keer is echter een recessie zo speciaal, dat alleen massief overheidsingrijpen langdurige rampspoed af kan wenden. Is de huidige economische neergang werkelijk zo uniek of is er niets nieuws onder de zon en is een recessie doodgewoon een recessie?
Op vrijdag 21 november kondigde het kabinet een stimuleringspakket aan van €6 miljard om de nakende recessie te keren. Het bevat tal van fiscale en andere maatregelen, waarvan ook (de eerlijkheid gebiedt het te zeggen) een aantal waar niemand tegen kan zijn zoals het versnellen van bouwprocedures. De werkelijke stimulans komt overigens bij zorgvuldiger bestudering een heel stuk lager uit dan €6 miljard. Eerder gaf het kabinet al aan het MKB te willen steunen door toegang tot kredietverlening te garanderen. De regeling voor werktijdverkorting wordt verruimd, zodat bedrijven op kosten van de WW hun ‘schaarse’ werknemers kunnen vasthouden. Er was al het overnemen, samenvoegen en runnen van banken; een andere recente kernactiviteit van de staat. De overheid verhoogde eerder de garantie op ingelegde spaartegoeden, in een race naar de top met andere Europese landen. Daarnaast willen veel lokale overheden een impuls geven aan bouwprojecten, nu particuliere projectontwikkelaars een pas op de plaats maken. Wilde ideeën zijn er verder nog te over: de nationale hypotheekgarantie moet fors hoger, huiseigenaren dienen zich verplicht te verzekeren tegen prijsdalingen op de woningmarkt etc. Ook de EU blaast een partijtje mee. Het is de bedoeling dat alle landen hun economie gaan stimuleren. Daarnaast zien sommige overheden ook een taak weggelegd voor het helpen van de eigen auto-industrie. De hoogte van het EMU-saldo is iets dat licht wordt vergeten als de overheid druk doende is alle problemen op te lossen.
Zowel in hoogconjunctuur als in laagconjunctuur wordt wat aan economische kennis is vergaard de afgelopen twee eeuwen vaak terzijde geschoven. De voorgaande inspanningen suggereren dat er iets vreselijks aan de hand is dat met man en macht door staatsingrijpen gekeerd moet worden. Maar de economische ontwikkeling kent al eeuwen lang pieken en dalen. Tijdens een recessie wordt dat wat misgegaan of scheef gegroeid is weer recht gezet. Dit is het zelfreinigend vermogen van de economie. Wel zegt de soepelheid waarmee een dergelijk proces verloopt iets over het aanpassingsvermogen van een economie. Niets is moeilijker dan het voorspellen van conjunctuuromslagen. De geschiedenis heeft tevens geleerd dat je verzetten tegen de uitslagen van de conjunctuur zinloos is. Zowel met monetair als budgettair beleid kan de conjunctuur niet gekeerd worden, hooguit met enig geluk gedempt. Ontspoorde overheidsfinanciën of te goedkoop geld leggen de kiem voor de volgende recessie. Gegeven het voorgaande is conjunctuurpolitiek ook onwenselijk, omdat het noodzakelijke saneringsproces wordt afgestopt. Wat wel kan is ervoor zorgen dat het aanpassingsvermogen van de economie zodanig is dat het noodzakelijke saneringsproces soepel en snel kan worden doorlopen, waardoor de groei snel kan worden hervat. Dit vereist structurele hervormingen. In vorige recessies dwong de budgettaire situatie de Nederlandse regering vaak hiertoe, nu wordt meer uitgeven juist als onderdeel van het oplossen van de neergang gezien.
De grootste rigiditeiten doen zich in Nederland voor op de arbeidsmarkt. De volgende maatregelen om het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt te vergroten zijn aanbevelenswaardig:
· Soepeler ontslagrecht: wankelende bedrijven komen in een neergang sneller en goedkoper van overtollig personeel af en zullen bij het aantrekken van de economie eerder mensen aannemen. Nu loopt een groot deel van het aanpassingsproces via flexkrachten die het eerst ontslagen worden en later weer als eerste aangenomen. De strikte ontslagbescherming houdt vooral oudere werkzoekenden langs de kant.
· Stoppen met algemeen verbindend verklaren. Het in oktober jl. tussen kabinet en sociale partners overeengekomen Najaarsakkoord bevat een loonstijging van maximaal 3,5 procent. Deze is inmiddels volkomen achterhaald door de feiten maar de vakbeweging is nog niet zover. Om werkgevers niet verplicht op te zadelen met een dergelijke loonstijging en sowieso om meer broodnodige differentiatie in beloning mogelijk te maken is het wenselijk te stoppen met avv-en.
· Schaf het WML af. De hoogte van de uitkering definieert nu al in sterke mate het niveau van de laagste beloning omdat niemand voor een salaris gaat werken dat lager is dan wat hij/zij kan ontvangen via de bijstand. Voor echtparen is het niveau van de minimumuitkeringen en het WML vrijwel gelijk, maar voor alleenstaanden is er nog een gat dat overbrugd kan worden als het WML verdwijnt.
· Hervorm de re-integratie van werkzoekenden. Privatiseer door gemeenten weer volledig uitbestedingsplichtig te maken. Breng alles onder bij één partij door Werkbedrijf en gemeentelijke sociale dienst samen te voegen tot één bemiddelingsorganisatie en halveer het totale re-integratiebudget van nu €2 miljard per jaar naar €1 miljard.
· Schaf de Wsw af. We besteden bijna €2,5 miljard per jaar om ruim 100.000 mensen aan beschermd werk te houden, waarvan we zeggen dat ze niet het WML kunnen verdienen maar die we tot wel 140% WML betalen. Geen wonder dat er almaar groeiende wachtlijsten zijn om toe toegelaten te worden tot deze riante regeling. Bovendien verstoren Wsw-bedrijven met hun subsidies de markt. Bemiddel iedereen zoveel mogelijk naar regulier werk en vul de verdiencapaciteit van degenen die niet in staat zijn dit niveau te verdienen aan tot het voor hen geldende minimumuitkeringsniveau.
Op vrijdag 21 november kondigde het kabinet een stimuleringspakket aan van €6 miljard om de nakende recessie te keren. Het bevat tal van fiscale en andere maatregelen, waarvan ook (de eerlijkheid gebiedt het te zeggen) een aantal waar niemand tegen kan zijn zoals het versnellen van bouwprocedures. De werkelijke stimulans komt overigens bij zorgvuldiger bestudering een heel stuk lager uit dan €6 miljard. Eerder gaf het kabinet al aan het MKB te willen steunen door toegang tot kredietverlening te garanderen. De regeling voor werktijdverkorting wordt verruimd, zodat bedrijven op kosten van de WW hun ‘schaarse’ werknemers kunnen vasthouden. Er was al het overnemen, samenvoegen en runnen van banken; een andere recente kernactiviteit van de staat. De overheid verhoogde eerder de garantie op ingelegde spaartegoeden, in een race naar de top met andere Europese landen. Daarnaast willen veel lokale overheden een impuls geven aan bouwprojecten, nu particuliere projectontwikkelaars een pas op de plaats maken. Wilde ideeën zijn er verder nog te over: de nationale hypotheekgarantie moet fors hoger, huiseigenaren dienen zich verplicht te verzekeren tegen prijsdalingen op de woningmarkt etc. Ook de EU blaast een partijtje mee. Het is de bedoeling dat alle landen hun economie gaan stimuleren. Daarnaast zien sommige overheden ook een taak weggelegd voor het helpen van de eigen auto-industrie. De hoogte van het EMU-saldo is iets dat licht wordt vergeten als de overheid druk doende is alle problemen op te lossen.
Zowel in hoogconjunctuur als in laagconjunctuur wordt wat aan economische kennis is vergaard de afgelopen twee eeuwen vaak terzijde geschoven. De voorgaande inspanningen suggereren dat er iets vreselijks aan de hand is dat met man en macht door staatsingrijpen gekeerd moet worden. Maar de economische ontwikkeling kent al eeuwen lang pieken en dalen. Tijdens een recessie wordt dat wat misgegaan of scheef gegroeid is weer recht gezet. Dit is het zelfreinigend vermogen van de economie. Wel zegt de soepelheid waarmee een dergelijk proces verloopt iets over het aanpassingsvermogen van een economie. Niets is moeilijker dan het voorspellen van conjunctuuromslagen. De geschiedenis heeft tevens geleerd dat je verzetten tegen de uitslagen van de conjunctuur zinloos is. Zowel met monetair als budgettair beleid kan de conjunctuur niet gekeerd worden, hooguit met enig geluk gedempt. Ontspoorde overheidsfinanciën of te goedkoop geld leggen de kiem voor de volgende recessie. Gegeven het voorgaande is conjunctuurpolitiek ook onwenselijk, omdat het noodzakelijke saneringsproces wordt afgestopt. Wat wel kan is ervoor zorgen dat het aanpassingsvermogen van de economie zodanig is dat het noodzakelijke saneringsproces soepel en snel kan worden doorlopen, waardoor de groei snel kan worden hervat. Dit vereist structurele hervormingen. In vorige recessies dwong de budgettaire situatie de Nederlandse regering vaak hiertoe, nu wordt meer uitgeven juist als onderdeel van het oplossen van de neergang gezien.
De grootste rigiditeiten doen zich in Nederland voor op de arbeidsmarkt. De volgende maatregelen om het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt te vergroten zijn aanbevelenswaardig:
· Soepeler ontslagrecht: wankelende bedrijven komen in een neergang sneller en goedkoper van overtollig personeel af en zullen bij het aantrekken van de economie eerder mensen aannemen. Nu loopt een groot deel van het aanpassingsproces via flexkrachten die het eerst ontslagen worden en later weer als eerste aangenomen. De strikte ontslagbescherming houdt vooral oudere werkzoekenden langs de kant.
· Stoppen met algemeen verbindend verklaren. Het in oktober jl. tussen kabinet en sociale partners overeengekomen Najaarsakkoord bevat een loonstijging van maximaal 3,5 procent. Deze is inmiddels volkomen achterhaald door de feiten maar de vakbeweging is nog niet zover. Om werkgevers niet verplicht op te zadelen met een dergelijke loonstijging en sowieso om meer broodnodige differentiatie in beloning mogelijk te maken is het wenselijk te stoppen met avv-en.
· Schaf het WML af. De hoogte van de uitkering definieert nu al in sterke mate het niveau van de laagste beloning omdat niemand voor een salaris gaat werken dat lager is dan wat hij/zij kan ontvangen via de bijstand. Voor echtparen is het niveau van de minimumuitkeringen en het WML vrijwel gelijk, maar voor alleenstaanden is er nog een gat dat overbrugd kan worden als het WML verdwijnt.
· Hervorm de re-integratie van werkzoekenden. Privatiseer door gemeenten weer volledig uitbestedingsplichtig te maken. Breng alles onder bij één partij door Werkbedrijf en gemeentelijke sociale dienst samen te voegen tot één bemiddelingsorganisatie en halveer het totale re-integratiebudget van nu €2 miljard per jaar naar €1 miljard.
· Schaf de Wsw af. We besteden bijna €2,5 miljard per jaar om ruim 100.000 mensen aan beschermd werk te houden, waarvan we zeggen dat ze niet het WML kunnen verdienen maar die we tot wel 140% WML betalen. Geen wonder dat er almaar groeiende wachtlijsten zijn om toe toegelaten te worden tot deze riante regeling. Bovendien verstoren Wsw-bedrijven met hun subsidies de markt. Bemiddel iedereen zoveel mogelijk naar regulier werk en vul de verdiencapaciteit van degenen die niet in staat zijn dit niveau te verdienen aan tot het voor hen geldende minimumuitkeringsniveau.
zondag 9 november 2008
Financiële crisis (2)
Volgens minister Bos betekent de huidige financiële crisis het einde van het neoliberale ordeningssysteem. Tegelijkertijd hebben meer dan 100 economen in een open brief aan het Amerikaanse Congres gewezen op de rol van private kapitaalmarkten, die met hun dynamiek en innovaties bijgedragen hebben aan een enorme welvaartsgroei die zijn weerga niet kent in de geschiedenis. Onder economen is er vrijwel consensus dat het (door Bos met neoliberaal aangeduide) marktmechanisme als economisch coördinatiemechanisme de voorkeur geniet. De destabiliserende invloed van banken op de conjunctuur werd jaren geleden al onderkend door Friedrich Hayek, een marktdenker bij uitstek, die daarvoor de Nobelprijs economie ontving. Wat is er aan de hand en hoe moet het verder?
Als het om geld gaat speelt vertrouwen een grote rol. Hechte onderlinge relaties kunnen bij het omvallen van één partij een kettingreactie in gang zetten. Reden waarom de overheid sterk regulerend optreedt. Van volledig vrije marktwerking is daarom op financiële markten geen sprake. In het spanningsveld tussen regulator en gereguleerde zoekt de laatste voortdurend de grenzen op van regelgeving en tracht de daarin gevonden gaten te benutten. Niet reguleren van financiële markten is te risicovol, maar ook overheidsingrijpen is vol met risico. Het is dus zaak de marktwerking te omringen met zorgvuldig vormgegeven instituties. Volgens een andere Nobelprijswinnaar, Douglas North zijn instituties: “formele regels, de handhaving daarvan en informele normen, die herhaald menselijk handelen structureren”.
De gebrekkige regels, de inadequate handhaving ervan en het gedrag van financiële marktpartijen hebben de financiële crisis veroorzaakt, maar bieden tevens de aanknopingspunten voor een uitweg:
1. De hypotheekcrisis in de VS vindt deels zijn oorsprong in de vergaande bemoeienis van de overheid met de kredietverstrekking (via b.v. Fannie Mae en Freddie Mac). Het ruime monetaire beleid faciliteerde het proces. De te lage rente en de ruime voorradigheid van geld dat een bestemming zocht, maakte een uitbundige kredietverstrekking mogelijk. Economen behoren te weten dat je met beleid de conjunctuur niet kunt sturen. Het monetaire beleid moet dan ook uitsluitend gericht zijn op prijsstabiliteit, met een geldgroei die maakt dat kredietverlening in de pas loopt met onderliggende reële ontwikkelingen. Regulators moeten erkennen dat hun toezicht niet perfect is en dat hun optreden nieuwe distorties uitlokt. Eenvoudiger regels zijn wenselijk, die een lange termijn perspectief hanteren. Ze mogen geen partijen uitzonderen, zoals in Amerika de genoemde hypotheekbanken en ook de zakenbanken, waardoor deze te grote risico’s hebben genomen. Nieuwe regels kunnen echter leiden tot nieuwe onevenwichtigheden, zoals de na de schandalen begin deze eeuw met Enron geïntroduceerde Sarbanes-Oxleywet illustreert. Deze dwingt financiële instellingen hun bezittingen zoveel mogelijk tegen de huidige marktwaarde op te nemen, wat tot het afboeken van schulden leidt terwijl er tijdelijk geen redelijke prijsvorming is.
2. Al in een eerder stadium stonden vele signalen op rood. Resoluut optreden van toezichthouders had een einde aan de scheefgroei kunnen maken. Waar het op aan komt voor elke toezichthouder is durven optreden. Dit betekent dat de verwachtingen bij marktpartijen goed gemanaged moeten worden: faillissement bij omvallen, ontslag bij falen, gevangenisstraf bij fraude of voorkennis en extra beloning alleen bij uitzonderlijke prestaties in lange termijn perspectief. Minder in plaats van meer overheidsgaranties.
3. Zolang meedoen aan de onhoudbare ‘bubble’ op de Amerikaanse huizenmarkt superieure rendementen opleverde en dat tegelijkertijd de maatstaf vormde voor het beoordelen van behaalde prestaties en zolang de zeepbel niet barstte, ging iedereen ermee door. Velen schreven positieve resultaten toe aan briljant eigen inzicht. Nu het slecht gaat is het systeem in gevaar en klapt de ‘gouden parachute’ open. De financiële sector moet daarom afscheid nemen van het financiële trapezewerk en de zelfverrijking met exorbitante bonussen. Aandeelhouders en bestuurders zijn de partijen die over de hele cyclus het ondernemingsrisico moeten dragen en niet de laagconjunctuur moeten afwentelen op de belastingbetaler.
Het huidige toezichtkader en de reacties van autoriteiten op de zich verspreidende financiële crisis hebben een verwachtingspatroon gecreëerd dat massief overheidsingrijpen nu onontkoombaar maakt. De kunst voor overheid en toezichthouders is om te ontkomen aan het steeds verder escaleren van interventies. De overheid heeft niet de capaciteiten om banken te managen en moet daar zo spoedig mogelijk vanaf. De in paniek uitonderhandelde prijs van €16,8 miljard euro voor Fortis Nederland zou wel eens ver verwijderd kunnen zijn van de werkelijke (nu niet vast te stellen) waarde. Een saneringsproces via een periode van laagconjunctuur is noodzakelijk en hoe eerder dat is voltooid hoe sneller de groei weer zal aantrekken. Verlagen van de rente of opvoeren van de overheidsuitgaven in een poging dit te voorkomen is geen oplossing. Dit leidt slechts tot nieuwe scheefgroei en lost de bestaande niet op.
Regels en toezicht zullen nooit perfect worden en de conjunctuur valt niet te sturen. Dat erkennen maakt partijen bescheidener in hun ambities en handelen en kan daarmee de omvang en impact van toekomstige financiële crises binnen de perken houden. Voor de markt is er geen beter alternatief; voor de huidige instituties wel.
Als het om geld gaat speelt vertrouwen een grote rol. Hechte onderlinge relaties kunnen bij het omvallen van één partij een kettingreactie in gang zetten. Reden waarom de overheid sterk regulerend optreedt. Van volledig vrije marktwerking is daarom op financiële markten geen sprake. In het spanningsveld tussen regulator en gereguleerde zoekt de laatste voortdurend de grenzen op van regelgeving en tracht de daarin gevonden gaten te benutten. Niet reguleren van financiële markten is te risicovol, maar ook overheidsingrijpen is vol met risico. Het is dus zaak de marktwerking te omringen met zorgvuldig vormgegeven instituties. Volgens een andere Nobelprijswinnaar, Douglas North zijn instituties: “formele regels, de handhaving daarvan en informele normen, die herhaald menselijk handelen structureren”.
De gebrekkige regels, de inadequate handhaving ervan en het gedrag van financiële marktpartijen hebben de financiële crisis veroorzaakt, maar bieden tevens de aanknopingspunten voor een uitweg:
1. De hypotheekcrisis in de VS vindt deels zijn oorsprong in de vergaande bemoeienis van de overheid met de kredietverstrekking (via b.v. Fannie Mae en Freddie Mac). Het ruime monetaire beleid faciliteerde het proces. De te lage rente en de ruime voorradigheid van geld dat een bestemming zocht, maakte een uitbundige kredietverstrekking mogelijk. Economen behoren te weten dat je met beleid de conjunctuur niet kunt sturen. Het monetaire beleid moet dan ook uitsluitend gericht zijn op prijsstabiliteit, met een geldgroei die maakt dat kredietverlening in de pas loopt met onderliggende reële ontwikkelingen. Regulators moeten erkennen dat hun toezicht niet perfect is en dat hun optreden nieuwe distorties uitlokt. Eenvoudiger regels zijn wenselijk, die een lange termijn perspectief hanteren. Ze mogen geen partijen uitzonderen, zoals in Amerika de genoemde hypotheekbanken en ook de zakenbanken, waardoor deze te grote risico’s hebben genomen. Nieuwe regels kunnen echter leiden tot nieuwe onevenwichtigheden, zoals de na de schandalen begin deze eeuw met Enron geïntroduceerde Sarbanes-Oxleywet illustreert. Deze dwingt financiële instellingen hun bezittingen zoveel mogelijk tegen de huidige marktwaarde op te nemen, wat tot het afboeken van schulden leidt terwijl er tijdelijk geen redelijke prijsvorming is.
2. Al in een eerder stadium stonden vele signalen op rood. Resoluut optreden van toezichthouders had een einde aan de scheefgroei kunnen maken. Waar het op aan komt voor elke toezichthouder is durven optreden. Dit betekent dat de verwachtingen bij marktpartijen goed gemanaged moeten worden: faillissement bij omvallen, ontslag bij falen, gevangenisstraf bij fraude of voorkennis en extra beloning alleen bij uitzonderlijke prestaties in lange termijn perspectief. Minder in plaats van meer overheidsgaranties.
3. Zolang meedoen aan de onhoudbare ‘bubble’ op de Amerikaanse huizenmarkt superieure rendementen opleverde en dat tegelijkertijd de maatstaf vormde voor het beoordelen van behaalde prestaties en zolang de zeepbel niet barstte, ging iedereen ermee door. Velen schreven positieve resultaten toe aan briljant eigen inzicht. Nu het slecht gaat is het systeem in gevaar en klapt de ‘gouden parachute’ open. De financiële sector moet daarom afscheid nemen van het financiële trapezewerk en de zelfverrijking met exorbitante bonussen. Aandeelhouders en bestuurders zijn de partijen die over de hele cyclus het ondernemingsrisico moeten dragen en niet de laagconjunctuur moeten afwentelen op de belastingbetaler.
Het huidige toezichtkader en de reacties van autoriteiten op de zich verspreidende financiële crisis hebben een verwachtingspatroon gecreëerd dat massief overheidsingrijpen nu onontkoombaar maakt. De kunst voor overheid en toezichthouders is om te ontkomen aan het steeds verder escaleren van interventies. De overheid heeft niet de capaciteiten om banken te managen en moet daar zo spoedig mogelijk vanaf. De in paniek uitonderhandelde prijs van €16,8 miljard euro voor Fortis Nederland zou wel eens ver verwijderd kunnen zijn van de werkelijke (nu niet vast te stellen) waarde. Een saneringsproces via een periode van laagconjunctuur is noodzakelijk en hoe eerder dat is voltooid hoe sneller de groei weer zal aantrekken. Verlagen van de rente of opvoeren van de overheidsuitgaven in een poging dit te voorkomen is geen oplossing. Dit leidt slechts tot nieuwe scheefgroei en lost de bestaande niet op.
Regels en toezicht zullen nooit perfect worden en de conjunctuur valt niet te sturen. Dat erkennen maakt partijen bescheidener in hun ambities en handelen en kan daarmee de omvang en impact van toekomstige financiële crises binnen de perken houden. Voor de markt is er geen beter alternatief; voor de huidige instituties wel.
Abonneren op:
Posts (Atom)