vrijdag 4 november 2011

De oorzaak van de schuldencrisis

Wat heeft de huidige schuldencrisis veroorzaakt? Heeft de markt gefaald en zijn het weer graaiende bankiers en/of niets ontziende speculanten uit de financiële wereld? Voor het antwoord moeten we toch echt naar politici kijken. De diepe recessie die volgde op de bankencrisis was het ideale aangrijppunt voor politici die vertrouwen op de zegenrijke uitwerking van overheidsingrijpen om een flinke verhoging van de uitgaven te bepleiten en in de meeste westerse landen ook door te voeren. Keynes was niet dood, hij was springlevend zo werd juichend betoogd (vaak overigens door niet-economen). De empirisch gevonden resultaten van economisch onderzoek, dat in de decennia na Keynes’ verscheiden was uitgevoerd, deden niet terzake. Dat hoge belastingdruk en dito overheidsschulden de economie sterk afremmen in haar ontwikkeling werd voor het gemak maar even vergeten. Hogere overheidsuitgaven waren nodig om de economie te stabiliseren; elke gedachte aan het in de hand houden van de staatsfinanciën zou de economie ‘kapot bezuinigen’. Waar dat geld aan werd uitgegeven deed niet zoveel terzake, zodat het de weg van de minste weerstand volgde en vooral consumptief werd besteed (in China werd tenminste nog de infrastructuur onder handen genomen via een bestedingsimpuls). Het effect dat tekorten opliepen en de staatsschuld steeg, werd voor lief genomen; EMU-citeria werden buiten werking gesteld, want dit waren buitengewone omstandigheden. Omstandigheden die toch langer duurden dan gedacht, want wederom met een beroep op het niet willen kapot bezuinigen van de economie, moest bij het aantrekken van de economie de staatshuishouding niet te snel op orde worden gebracht. Dat alvast kon worden begonnen met het in gang zetten van structurele manieren om de economie te hervormen, daar dacht niemand aan. Het geleidelijk aan optillen van de pensioengerechtigde leeftijd zou zo'n vertrouwenwekkende maatregel kunnen zijn, maar politici waren veel te druk en te gretig met ‘stimuleren’. Het aanpakken van starre arbeidsmarkten en dicht gereguleerde private sectoren, waar insiders een riante bescherming genieten ten koste van outsiders, was niet aan de orde.

Maar economische wetmatigheden gelden nog steeds. Markten zijn niet tot in het oneindige bereid om tekorten van overheden te financieren, omdat zij terecht vrezen dat het geld wel eens niet zou kunnen terug komen, en de extra uitgaven de inflatie doen oplopen en de economische groei belemmeren. De economen Reinhart en Rogoff toonden in hun standaardwerk, met de veelzeggende titel ‘This time is different’, aan dat deze negatieve invloed zich al begint te manifesteren vanaf een schuldniveau van 90 procent van het BBP. Geleidelijk vielen al snel één voor één de poppetjes van de landen die de boel teveel uit de hand hadden laten lopen. Maar dat was niet hun eigen schuld; de markt had het gedaan. Met het mes op de keel zijn de Grieken aan het hervormen geslagen; andere problematische schuldenlanden volgen schoorvoetend. Het fundamentele probleem in deze landen is dat teveel van de overheid wordt verwacht, die een verlammende werking heeft op de economie (zie de lage groeipercentages van b.v. een land als Italië) maar waarvan teveel mensen afhankelijk zijn (b.v. alleen al omdat ze ambtenaar zijn, zoals een groot percentage van de Griekse beroepsbevolking, of comfortabel zonder te werken aan het staatsinfuus liggen) die niet bereid zijn hun geprivilegieerde status op te geven. Telkens weer wordt naar politici gekeken voor het ‘oplossen’ van de problemen. De opgeklopte verwachtingen voor alweer een volgende Europese top suggereren nadrukkelijk dat de regeringsleiders de sleutels in handen hebben om uit de crisis te komen. Ze hoeven alleen nog maar de geldkraan open te draaien.

Daarmee wordt dezelfde fout gemaakt als zo vaak in het verleden. De extra overheidsuitgaven worden nooit gevolgd door bezuinigingen en hervormingen als het weer goed gaat. Nu staten blut zijn, wordt naar de monetaire autoriteiten gekeken. De geldkraan moet letterlijk open. Maar o.b.v. het verleden is duidelijk dat ook hier dichtdraaien vervolgens erg moeilijk is en dat elke monetaire verruiming niet zonder consequenties is. De bubble in de Amerikaanse huizenmarkt kan rechtstreeks worden teruggevoerd op het te ruime monetaire beleid van de FED in de daaraan voorafgaande jaren die was bedoeld om de economie te ‘sturen’. Haasje-overeffecten zijn te verwachten als de eerste stimulans niet het gewenste effect heeft of als staten volharden in het niet willen aanpassen van hun budgettaire beleid. De oplossing voor de crisis ligt dan ook op het niveau van nationale staten die hun huishouden op orde moeten brengen. Gegeven de weg die Europese politici zijn ingeslagen, zal dit helaas niet meer kunnen zonder financiële steun van buitenaf. Elk serieus hervormingspakket zal zich echter zowel op korte als op lange termijn terug betalen in herstel van de economische groei, verbetering van de overheidsfinanciën en daling van inflatie. Voor de bewijsvoering kunnen we dichtbij huis blijven: het was exact de ervaring met het saneren van de Nederlandse economie in de jaren tachtig van de vorige eeuw.

dinsdag 11 oktober 2011

The Great Recession and Government Failure

Onder deze titel publiceerde de vermaarde Chicago-econoom Gary Becker recent een belangwekkend stuk op de opiniepagina van The Wallstreet Journal (http://online.wsj.com/article/SB10001424053111904199404576536930606933332.html). De winnaar van de Nobelprijs in economie van 1992 veegt de vloer aan met degenen die marktwerking in een kwaad daglicht stellen en op allerlei terreinen meer overheidsinterventie willen.

Becker gaat in op:
• De grote rol van de overheid (en daaraan gelieerde organisaties) bij het verergeren en verlengen van de economische crisis.
• Hogere overheidsuitgaven, die alleen maar effect hebben op het niveau van het tekort en de overheidsschuld.
• Misvattingen m.b.t. de effecten van marktwerking en overheidsinterventie, en in samenhang daarmee het fenomeen overheidsfalen (als tegenhanger van marktfalen).
• De desastreuze uitwerking van excessieve regulering en belastingverhogingen.
• De neiging van politici om geld uit te delen in economisch goede tijden, welke uitgaven in recessies moeilijk kunnen worden terug gedraaid en vaak leiden tot nog hogere toekomstige overheidsuitgaven.

Kortom, wie kritiek heeft op het functioneren van markten moet ook eens goed kijken naar hoe goed de overheid het doet (en dat is meestal veel slechter!).

dinsdag 6 september 2011

Frankrijk en Duitsland zijn het probleem; niet de oplossing

De oplossing van de schuldencrisis in het eurogebied schijnt om leiderschap te vragen van politici, met name van die uit Frankrijk en Duitsland. Ronald Reagan zei ooit: “The most terrifying words in the English language are: I'm from the government and I'm here to help.” Daarom moeten ook de recente plannen van het duo Merkel & Sarkozy de alarmbellen doen rinkelen. Het zijn juist de politici die de huidige problemen hebben veroorzaakt en ze alleen maar hebben vergroot in de afgelopen maanden. Zij zijn de laatste van wie je een oplossing mag verwachten.

Het begin van de moeilijkheden is gemakkelijk te identificeren. De duidelijke afspraken vastgelegd in verschillende verdragen en het Groei- en Stabiliteitspact (GSP) werden vanaf 2003 door zowel Duitsland als Frankrijk meerdere jaren achtereen naast zich neergelegd. Het was vervolgens aan alle eurolanden om hierover te oordelen. Finland, Nederland en Oostenrijk besloten een principiële positie in te nemen en stemden voor sancties voor beide landen, conform het GSP. De andere landen telden hun knopen. Als ondanks een duidelijke overtreding de gemaakte afspraken niet golden voor deze twee landen, dan bood dat ook hen ruimte om in de toekomst de regels ruimer te interpreteren zonder direct te worden bestraft. Bovendien konden ze zo vriendjes blijven met de twee machtigste eurolanden. Opportunisme vierde hoogtij en de sancties kwamen er niet. Maar daarmee was wel het hek van de dam en het GSP de facto dood.

Het ontstaan van de schuldencrisis is rechtstreeks op deze gebeurtenis in 2003 terug te voeren. Waar de politiek voortdurend faalt, doet de steeds weer door het Europese establishment naar voren gebrachte oplossing van meer toezicht en meer politieke samenwerking vreemd aan. Dat toezicht was er bovendien altijd al. Uit eigen ervaring weet ik dat op tal van Haagse departementen ambtenaren elk jaar weer vragenlijsten zitten in te vullen voor de Europese Commissie. Talloze statistieken vinden periodiek hun weg naar Eurostat. Dat leidt tot lijvige rapporten, waarin een land als Nederland nog wel eens expliciet de maat wordt genomen. Maar een kritische noot richting Frankrijk of Duitsland wordt altijd omfloerst gebracht. Aanbevelingen worden in het beste geval door deze landen genegeerd en daarmee zijn we weer terug bij het begin: Frankrijk en Duitsland laten zich niet de wet voorschrijven door supranationale organisaties of door andere landen. Voor hen betekent verdere Europese samenwerking dat zij in nog sterkere mate het beleid kunnen dicteren. Bij deze landen bestaat geen bereidheid om de eigen soevereiniteit op te geven als daar geen meer invloed langs andere kanalen tegenover staat. Mogelijke oplossingen om dit mechanisme te doorbreken, door b.v. het automatisch opleggen van sancties als regels worden overtreden, zijn theoretisch van aard. Europarlementariër Hans van Baalen brak voor een dergelijk automatisme een lans op de opiniepagina van NRC Handelsblad afgelopen vrijdag. Het helpt wellicht bij kleine overtredingen door kleine landen. Niemand zal echter voorstellen Griekenland nu sancties op te leggen. Nooit zal Frankrijk accepteren dat het een boete moet betalen voor het uit de hand laten lopen van de eigen begroting. Om dezelfde reden is ook de door oud-minister Zalm in Buitenhof voorgestelde onafhankelijke begrotingsautoriteit geen haalbare optie. De onhaalbaarheid zit ‘em daarbij vooral in het woord ‘onafhankelijk’.

Overigens bleek al in 2004 uit bovengenoemde rapporten dat de Griekse overheid kampte met een financieringstekort van 7,3 procent. Ook zonder de maskerades die de Griekse overheid daarna heeft opgevoerd om de werkelijke situatie van de deplorabele overheidsfinanciën te verbergen, was al die tijd al zonneklaar dat het land niet aan de in het GSP vastgelegde criteria heeft voldaan. Een Europese regering, een Europees ministerie van Financiën en de uitgifte van euro-obligaties en welke voorstellen nog meer zijn gedaan door de eurofiele Brusselse elite gaat daar geen verandering in brengen. Het lost niet het probleem op dat de statistieken nog steeds uit Athene moeten komen en het lost niet het belangrijkste probleem op van regels die glashelder zijn maar niet worden gehandhaafd. Zolang de politiek hiervoor verantwoordelijk is, zullen er altijd uitvluchten worden gevonden. Daarom is het nog steeds de beste oplossing om Griekenland (en elke andere overmatige zondaar) gecontroleerd, b.v. onder leiding van het IMF, failliet te laten gaan i.p.v. het land meer dan 250 miljard euro te lenen. Dat laatste bedrag komt overeen met 25.000 euro per hoofd van de bevolking; een belachelijke hoeveelheid om in een failliete boedel te stoppen.

En hoe zit dat dan met de gevolgen van een Grieks bankroet voor de banken in de rest van Europa? Die kunnen echt wel een stootje hebben. De onlangs gehouden stresstest schetste wellicht een iets te rooskleurig beeld, maar liet wel zien dat slechts een enkele bank écht in de problemen komt bij een Grieks bankroet. Voor het bedrag dat nu in Griekenland wordt gestoken, kun je bovendien heel wat banken op de been houden. De meeste banken hebben hun Griekse schulden al afgewaardeerd en een deel van hun verlies genomen. Het is ook niet zo dat Griekenland helemaal niets gaat terug betalen, dus een afwaardering naar nihil is ook niet nodig. Waar je in het geval van leningen aan Griekenland elke euro aan schuld opnieuw moet financieren, kunnen banken zelf een deel van of het volledige verlies dragen. Alleen de ECB is zo onverstandig geweest de eigen balans vol te laden met problematische schuld. Dat het topmanagement van deze instelling grotendeels in handen is van Zuid-Europeanen zal daaraan niet vreemd zijn. Dat gaat de belastingbetaler dus wel enige tientallen miljarden kosten, maar dat geld is al gereserveerd in het huidige steunpakket.

Hoe nu verder? De markt heeft intussen eindelijk door gekregen dat je niet van ieder euroland dezelfde rente moet vragen. Als het ook geloofwaardig voor de markt wordt dat individuele landen niet door anderen worden gered maar failliet gaan, dan zijn we al een heel eind. Wie zijn billen brandt moet zelf op de blaren gaan zitten. Zo was het geregeld bij de introductie van de euro en zo doen de Amerikanen het bijvoorbeeld ook als individuele staten in betalingsproblemen komen. We moeten snel naar dit principe terugkeren.