zaterdag 27 september 2014

Jeugdwerkloosheid tussen discriminatie en statistiek

De officiële werkloosheid onder jongeren van 15 tot 24 jaar in de EU is schrikbarend hoog. In Spanje en Griekenland bedraagt deze meer dan 50 procent. Italië, Portugal en Cyprus kennen een percentage van meer dan 40. In Nederland ligt de jeugdwerkloosheid gemiddeld rond 11 procent, maar zijn er groepen die een veel hoger percentage kennen. Onder allochtonen bedraagt de werkloosheid een veelvoud van dit gemiddelde.

In een eerdere bijdrage schreef ik over het Nederlandse jeugdwerkloosheidscijfer. Dat wordt vertekend doordat ook degenen die louter een bijbaantje zoeken en voor wie werken niet hun hoofdactiviteit is (scholieren bijvoorbeeld) als werkloos staan geregistreerd. Hoe jonger de leeftijd, hoe schever het beeld is dat de officiële cijfers geven. Er is echter nog een andere vertekening en die doet het (inter)nationale beeld kantelen.

Werkloosheid wordt gemeten door het aantal werkzoekenden te delen op de beroepsbevolking. De beroepsbevolking wordt gevormd door de werkenden en de werklozen tezamen. Er is nog een derde categorie die niet tot de beroepsbevolking behoort, maar wier aanwezigheid voor wat betreft het meten van de jeugdwerkloosheid wel van groot belang is. Dat zijn de “inactieven”. De naam is enigszins misleidend. Het gaat om mensen die noch werken noch op zoek zijn naar werk, om wat voor redenen dan ook.

De cijfers van Eurostat, het CBS van de Europese Unie, laten naast de officiële werkloosheid ook de ratio zien tussen het aantal werklozen en de totale bevolking als het gaat om de categorie tussen 15 en 24 jaar. Dat heeft forse consequenties zo blijkt. In Spanje 'daalt' de jeugdwerkloosheid dan van meer dan 50 procent naar iets meer dan 20 procent. En bij de andere hierboven genoemde Mediterrane landen schiet de werkloosheid ruim onder de 20 procent. Dat is natuurlijk nog steeds veel, maar minder dan de helft van de officiële werkloosheidscijfers.
De suggestie van alle berichten in de pers dat in Zuid-Europa (meer dan) de helft van alle jongeren de dagen in onledigheid doorbrengt als werkloos is dus sterk overdreven. Veel jongeren zijn om wat voor reden dan ook niet beschikbaar voor werk van 12 uur per week of meer. Overigens illustreert het fenomeen bijbaantje de verschillen tussen landen in de EU. De cijfers voor Spanje, Griekenland en Italië worden i.t.t. de Nederlandse niet vertekend door de aanwezigheid van scholieren die op zoek zijn naar een klein baantje voor naast studie of school. Dat fenomeen bestaat daar gewoonweg niet.

Terug nog even naar eigen land. De andere manier van meten door Eurostat heeft voor het gemiddelde werkloosheidscijfer onder jongeren in ons land ook gevolgen. Het gemiddelde ligt nu 30 procent lager: 7,7 procent in 2013 in plaats van 11 procent. Jarenlang is ons voorgehouden dat de werkloosheid onder allochtone jongeren meer dan het dubbele is van die onder autochtone (in 2012 zelfs bijna het drievoudige: 9,8 procent versus 28,4 procent). Uiteraard moet de overheid hier iets aan doen door meer geld te geven aan de gebruikelijke belangengroepen, die via banenplannen de achterliggende oorzaak (discriminatie door witte werkgevers) kunnen bestrijden. Wie het aantal werkloze allochtone jongeren (circa 31.000) relateert aan het totale aantal allochtone jongeren (circa 320.000) ziet dat de ratio tussen beide tot onder de 10 daalt. Een daling dus met tweederde! Onder allochtone jongeren is dus vooral de groep inactieven relatief veel groter dan onder autochtonen. Inactief kan betekenen dat men braaf voltijds op school zit of aan de studie is. Het kan ook zijn dat men een Wajonguitkering heeft o.i.d. Of er zijn voldoende eigen middelen van bestaan die zich aan het zicht van officiële instanties onttrekken. Of men is in Syrië enz. Het illustreert in ieder geval dat je niet te snel “Discriminatie!” moet roepen.

maandag 5 mei 2014

Hoe de Eurozone er werkelijk voor staat

De Euro lijkt in rustiger vaarwater te zijn terecht gekomen. Om te kunnen beoordelen of dat werkelijk zo is, is een blik op de reële economie noodzakelijk. Daar is sprake van een aantal zorgelijke ontwikkelingen, waarbij de Nederlandse economie zich meer in lijn beweegt met de Zuidelijke dan de Noordelijke landen.

De spanningen op de financiële markten zijn de laatste maanden weggeëbd en in de Eurozone lijkt de rust weergekeerd. De vraag is of dit komt doordat de economieën van de landen die hiervan deel uitmaken op orde beginnen te komen of dat het een met veel geld van overheden en ECB gekochte rust is. Hoe staat de reële economie er nu werkelijk voor? Met andere woorden: Hoe ontwikkelen consumptie en investeringen zich en wat gebeurt er met exporten en importen?

In een paper gaan drie economen verbonden aan de Universiteit Utrecht op deze vragen in. Holinski et. al. maken een onderscheid tussen twee groepen landen. Noord bestaat uit de ‘sterke’ noordelijke eurolanden Duitsland, Oostenrijk, Finland en Nederland. Zuid uit de landen die met steun van buiten op de been worden gehouden: Griekenland, Portugal, Spanje en Ierland.

De eerste jaren van de euro waren zowel wat economische als politieke ontwikkelingen betreft vrij stabiel en daarmee zeer geschikt om een reëel convergentieproces tussen de deelnemende landen in gang te zetten. In plaats daarvan ontstonden er echter twee groepen landen (Noord en Zuid), waarbij de economische situatie tussen deze beide groepen juist meer uiteen begon te lopen. Holinski et. al. richten zich in de eerste plaats op de ontwikkelingen op de betalingsbalans. Grofweg valt deze uiteen in twee delen: de lopende rekening en de kapitaal- en financiële rekening. De handelsrekening is het belangrijkste onderdeel van de lopende rekening en laat het resultaat zien van de export en import van goederen en diensten. Is per saldo over alle voorgaande jaren meer verkocht aan het buitenland dan gekocht, dan staat het buitenland per saldo (of netto) in het krijt. De kapitaal- en financiële rekening laat dan een tekort zien, omdat cumulatief sprake is van meer leningen (naast investeringen en beleggingen) aan het buitenland dan van het buitenland aan het eigen land.

Wie echter meer importeert dan exporteert, ziet zijn schuld aan het buitenland toenemen. Zo bouwde Zuid een netto schuldpositie aan het buitenland op door jarenlange tekorten op de lopende rekening. Noord werd steeds meer een schuldeiser van het buitenland door jarenlange handelsoverschotten. Het verschil is in 2008 met 16%-punt van het BBP het grootst: Noord laat een overschot zien van 4 procent BBP en Zuid een tekort van 12% BBP. Met name de private sector in Zuid leent in die jaren fors in het buitenland om dit tekort te financieren. Hoewel met de komst van de euro de onderlinge wisselkoersen zijn verdwenen, is het nog steeds wel mogelijk een reëel effectieve wisselkoers te berekenen en op die manier vast te stellen hoe de concurrentiepositie zich t.o.v. het buitenland ontwikkelt. De concurrentiepositie van Zuid is in al die jaren steeds verslechterd, terwijl die in Noord is verbeterd. De economie in het zuiden groeide weliswaar iets sneller dan die in het noorden, maar dat werd gefinancierd met geleend geld en ging gepaard met te snelle loonstijgingen die de concurrentiepositie van het zuidelijke bedrijfsleven aantastten.
Vanaf 2009 ontwikkelt de situatie in Noord zich (gezien de omstandigheden) vrij stabiel. Het overschot op de lopende rekening blijft gemiddeld genomen intact; de private besparingen nemen iets toe en de publieke nemen als gevolg van oplopende overheidstekorten iets af. Ook de investeringen blijven redelijk goed op peil.

In Zuid zijn de ontwikkelingen anders. De netto private besparingen nemen flink toe, wat komt door een forse daling van de investeringen met 10%-punt van het BBP. De exporten nemen iets toe door het aantrekken van de wereldhandel en de reële depreciatie van de euro. De importen blijven vrij stabiel. De handelsbalans van Zuid verbetert hierdoor. Zuid profiteert als netto schuldenaar sterk van de gedaalde rente. De schulden aan het buitenland zijn in deze landen echter opgelopen tot het (onverantwoord hoge) niveau van 100% of meer van het BBP.

Oppervlakkig gezien lijkt sinds het intreden van de crisis sprake van een verbetering van de netto besparingen en de handelsbalans in Zuid. Deze schijnbare verbetering camoufleert echter een aantal ontwikkelingen die zorgen baren:
  • Het concurrentienadeel van Zuid t.o.v. Noord is intact gebleven. De verbetering op de handelsbalans komt vooral door het relatief achterblijven van de importen en de daling van de investeringen (naast een aantal positieve externe ontwikkelingen) en niet door een verbeterde concurrentiepositie.
  • De netto schuldpositie van de Zuidelijke landen t.o.v. het buitenland blijft op het zeer hoge niveau van 100% (of meer) van het BBP. Ook de overheidsschuld beweegt zich op dit onhoudbaar hoge niveau. Dit komt doordat er nauwelijks sprake is van bezuinigingen op de uitgaven. Het maakt deze landen erg kwetsbare voor toekomstige rentestijgingen. Je mag ook zeggen dat de hoge schuld momenteel alleen houdbaar is door de lage rentestand.
  • De ontwikkelingen in de eurozone divergeren daardoor nog steeds, wat ook zichtbaar is in het oplopende verschil in inkomen in het voordeel van Noord. De auteurs stellen dat de aanpassing daardoor eenzijdig plaats vindt in Zuid. Het is echter de vraag in hoeverre dit de schuld is van Noord. Er is immers geen sprake van een gesloten systeem, waarbij de wereld alleen bestaat uit Noord en Zuid en de eurozone alles is wat er is.
  • In een aparte analyse zijn de ontwikkelingen in Frankrijk en Italië vergeleken met die in de beide groepen andere landen. Deze lijken meer in lijn met die in Noord dan die in Zuid, waarbij de situatie in Italië door het hoge schuldenniveau wel kwetsbaar is.
  • Voor Nederland komen de auteurs tot een minder gunstige conclusie. De ontwikkelingen hier in de laatste jaren lijken meer op die in Zuid dan die in Noord. De investeringen zijn sinds 2007 stevig gedaald en de externe concurrentiepositie is behoorlijk verslechterd. Dat mag niet verwonderen met een kabinet dat vooral uitblinkt in lastenstijgingen.

vrijdag 25 april 2014

Nudging of maakbare samenleving?

Nudging. Weer een nieuw anglicisme dat zijn intrede doet in onze taal. Achter deze term gaat een riskante ontwikkeling schuil die handen vol geld kan kosten.

Eind maart verscheen een advies van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) met de titel De verleiding weerstaan, waarin het volgende over nudging wordt geschreven:

De overheid kan de autonomie van burgers versterken met behulp van nieuwe inzichten uit de psychologie en de gedragseconomie, maar alleen onder strikte voorwaarden. Nudging, het sturen van gedrag via automatische en onbewuste denkprocessen, is alleen toelaatbaar als dit het vermogen van burgers versterkt om verleidingen te weerstaan die niet overeenstemmen met hun eigen waarden en doelen. Dat betekent terughoudendheid bij meer omstreden beleidsonderwerpen, volledige transparantie over de ingezette instrumenten en voldoende tegenkrachten in het democratische beleidsproces.

Over de normatieve aspecten van nudging is o.a. naar aanleiding van dit advies al het nodige geschreven. Het gaat dan vooral om de vraag of en in hoeverre de overheid een bepaald normen- en waardenpatroon en een daarvan afgeleid door haar gewenst gedragspatroon mag opdringen aan de burger. De auteurs van de RMO waarschuwen voor deze ontwikkeling en houden een pleidooi om nudging te gebruiken voor het versterken van al bij de burger al aanwezige ‘weerstanden’ tegen bepaalde gedragingen.

Nudging kan op tal van manieren worden toegepast (zie hiervoor hoofdstuk 4 van het rapport, waaraan ik onderstaande voorbeelden ontleen). Een bekend voorbeeld is de zgn. standaardoptie (‘default option’). Veel mensen zijn geneigd bij het maken van keuzes te kiezen voor de standaardoptie, bijvoorbeeld rond orgaandonatie. Als het doneren van organen de standaardoptie is, dan geeft vrijwel iedereen hiervoor toestemming (zoals in België: 98 procent). Als voor donatie expliciet toestemming moet worden gegeven, dan is dit percentage veel lager (27,5 procent in Nederland).

Nudging leent zich heel goed voor financiële toepassingen. Zo zou het wekelijks i.p.v. maandelijks uitbetalen van uitkeringen mensen aanzetten tot beter omgaan met geld. De Britse belastingdienst laat in herinneringsbrieven aan personen die achterstallig zijn met belasting betalen, weten welk percentage mensen in de wijk waar de betreffende persoon woont al wel aan hun verplichtingen heeft voldaan. Bij achterstallige wegenbelasting dreigt de Britse fiscus niet langer met een boete van maximaal 1200 euro, maar bevat de brief een foto van de auto van betrokkene met de waarschuwing dat het voertuig wordt ingenomen als de belasting niet wordt betaald. In beide gevallen nam het aantal wanbetalers fors af.

Vooral in het laatste geval is het de vraag of het gedragseffect toe te schrijven is aan nudging; een boete is wat anders dan in beslag nemen. Dat is gelijk ook het probleem met het toepassen van inzichten uit de psychologie en de gedragseconomie. Deze inzichten zeggen vooral iets over hoe individuen waarschijnlijk zullen reageren in bepaalde situaties. Ze zeggen veel minder over hoe alle individuen tezamen zullen reageren. Problematisch bij gedragseconomie is de stap van individu (micro) naar samenleving (macro). En dan zijn we bij het punt dat ik wil maken en dat gaat over effectiviteit. Nudging lijkt heel erg op oude wijn in nieuwe zakken, waarbij de oude wijn het onzalige idee van de maakbare samenleving is.

Laat ik er eens een ander voorbeeld bij halen om mijn zorgen te illustreren. Vorig jaar ging een ruime meerderheid in de Tweede Kamer juichend akkoord met het verhogen van de belasting op kraanwater. Naast extra inkomsten voor de schatkist was dit een maatregel die ook nog eens goed was voor het milieu: Het gebruik van water zou hierdoor afnemen. Dit ontlokte de topvrouw van waterbedrijf Vitens onlangs de opmerking dat we water nu zwaarder belasten dan een hamburger: 30 procent van de kraanwaterrekening bestaat uit belastingen. Wie even nadenkt, ziet meteen dat er geen verborgen kosten zitten in de prijs van water. Een overheidsmonopolist draagt bij u in de regio zorg voor de constante aanvoer en kan alle gemaakte kosten doorberekenen in de prijs. Wat u ervoor betaalt (minus belastingen) kost het ook om het product te leveren. En waarom zou daar bovenop het gebruik van koud kraanwater moeten worden ontmoedigd? Water is een bestanddeel voor veel andere producten, die daardoor ook weer duurder worden. Water wordt ook duurder ten opzichte van producten die wel aantoonbaar gezondheidsschade opleveren. Kortom, verhoging van de belasting op water is een wel erg slecht doordachte maatregel bij elk ander motief dan verhoging van de inkomsten van de schatkist. Er is een goede casus op te bouwen voor het standpunt dat je helemaal geen belasting op water moet heffen. Op dit terrein kunnen we ons nu eens rustig conformeren aan de rest van Europa.

Wat we al decennialang weten: De samenleving is niet maakbaar. Het ontbreekt de overheid aan de kennis en de kunde om de samenleving te sturen, laat staan dat we het eens worden over de te kiezen richting. Nudging verschaft de zoveelste ideologische onderbouwing voor overheidsingrijpen op eender welk terrein, tot ver in de persoonlijke levenssfeer van de individuele burger. We lopen het risico om opnieuw een lawine aan ‘goedbedoeld’ beleid over ons uitgestort te krijgen. Nudging is weer een nieuwe manier om beleid te verkopen dat veel geld kost en dat maar weinig zoden aan de dijk zet. Nog één voorbeeld tot slot. Op milieuterrein zijn er legio, want daar werd al flink wat af ‘genudged’ nog voordat de term zijn entree maakte in het Haagse beleidsjargon. Wie vorig jaar een Tesla aanschafte van 94.000 euro betaalde daarvoor netto als ZZP’er 25.000 euro. Ook wie geen of weinig kennis heeft van inzichten uit de psychologie of de gedragseconomie kan voor dit soort overheidsbeleid prima de diagnose stellen: Waanzin.