dinsdag 7 oktober 2008

Financiële crisis toont ook overheidsfalen

Volgens minister van Financiën Bos marcheren de socialisten Wall Street binnen en betekent de zich steeds nadrukkelijker manifesterende financiële crisis het einde van het neoliberale ordeningssysteem.

Onder economen is er vrijwel consensus dat het (door Bos kennelijk met neoliberaal aangeduide) marktmechanisme als economisch coördinatiemechanisme de voorkeur geniet boven staatsingrijpen. De destabiliserende invloed van banken op de conjunctuur werd al vroeg onderkend door Friedrich Hayek, als vertegenwoordiger van de Oostenrijkse school een marktdenker bij uitstek. Voor zijn monetaire conjunctuurtheorie ontving hij de Nobelprijs voor economie. Het zijn dus niet alleen socialisten die oog hiervoor hebben. De vraag rijst juist of niet ook sprake is van overheidsfalen.

Als het om geld gaat speelt vertrouwen een grote rol. Hechte onderlinge relaties kunnen bij het omvallen van één partij een kettingreactie in gang zetten. Reden waarom de overheid regulerend optreedt. Dat leidt wel tot een voortdurend spanningsveld tussen regulator en gereguleerde. De laatste zoekt de grenzen op van regelgeving en tracht de daarin gevonden gaten uit te buiten. Niet reguleren van financiële markten is te risicovol, maar ook overheidsingrijpen is vol met risico.

Financiële instellingen hadden heus de onhoudbare ‘bubble’ op de Amerikaanse huizenmarkt wel in de gaten. Zolang meedoen superieure rendementen opleverde en dat tegelijkertijd de maatstaf vormde voor het beoordelen van behaalde prestaties en zolang de bubble niet barstte, ging iedereen ermee door. Resoluut optreden van toezichthouders in een eerder stadium had hier een einde aan kunnen maken. Het uitblijven hiervan toont aan dat er naast het inmiddels breed uitgemeten ‘markt’-falen ook sprake is van overheidsfalen.

Belangrijkste regel uit de beleggingstheorie is dat een hoog risico gepaard moet gaan met een hoog rendement. Nu speculeerden velen op een hoog rendement zonder risico door positieve resultaten te incasseren en toe te schrijven aan briljant eigen inzicht en bij negatieve rendementen te verklaren dat het systeem in gevaar is om veevolgens de ‘gouden parachute’ open te klappen. Op die manier heb je als bestuurder alleen maar rendement en geen enkele risico.

Het begon allemaal met het verstrekken hypotheken aan Amerikanen met een te laag inkomen die onder normale marktverhoudingen nooit een lening zouden krijgen. Door hen voordelige instaptarieven te bieden, konden ze de lening aanvankelijk financieren uit hun inkomen en vervolgens uit de toename van hun vermogen als gevolg van de almaar stijgende huizenprijs. Om de hypotheekverstrekker een graantje te laten meepikken, ging na de instapperiode de rente fors omhoog zodat die ook niet meer uit het inkomen van de betrokkene te financieren viel. Veel van deze hypotheken werden doorverkocht, vaak gebundeld met hypotheken van meer kredietwaardige klanten. Daardoor viel echter niet meer te achterhalen hoe het totale plaatje eruit zag. Gevolg hiervan was dat risico en rendement niet meer in de juiste verhouding stonden. Het ruime monetaire beleid faciliteerde dit proces. De te lage rente en de ruime voorradigheid van geld dat een bestemming zocht, maakte een uitbundige kredietverstrekking mogelijk. Dit maakt dat dit ook een crisis is van de monetaire autoriteiten. Wie hen nu als helden ziet, verliest de substantiële bijdrage aan het ontstaan van de crisis uit het oog. Het gaat hier ook om overheidsfalen.


Het huidige toezichtkader en de reacties van autoriteiten op de zich verspreidende financiële crisis hebben een verwachtingspatroon gecreëerd dat massief overheidsingrijpen onontkoombaar maakt. De kunst voor overheid en toezichthouders is nu om te ontkomen aan het steeds verder escaleren van interventies. De ervaring leert dat als de overheid eenmaal ingrijpt dit steeds verdergaande interventies uitlokt. Voor de korte termijn moet de financiële sector afscheid nemen van het financiële trapezewerk en de zelfverrijking met exorbitante bonussen die in een goed werkende arbeidsmarkt niet bestaan. Regulators moeten erkennen dat hun toezicht niet perfect is, zeker niet in dynamisch perspectief, en dat hun optreden nieuwe distorties uitlokt en aanleiding geeft tot overheidsfalen. Met name de Fed (maar ook de Franse regering) moet afstappen van de notie dat met monetair beleid de conjunctuur in de gewenste richting te sturen valt. Evenwichtsherstel op de financiële markten vergt nu juist een verhoging van de rente (met name in de VS) om meer besparingen uit te lokken. Pas als het noodzakelijke saneringsproces is voltooid, kan de groei zich weer herstellen. Laagconjunctuur is een noodzakelijk saneringsproces en hoe eerder dat is voltooid hoe sneller de groei weer zal aantrekken. De Nederlandse politiek steekt de kop in het zand als het denkt hieraan te kunnen ontkomen en dat de groeivertraging aan ons land of aan Europa voorbij zal gaan. Dit laatste valt ook niet te hopen, omdat het bestaande onevenwichtigheden in stand houdt.

Voor de langere termijn zal een weg naar juist meer de markt zijn heilzame werking laten doen moeten worden ingeslagen, zowel in het monetaire beleid als het toezicht. Dit betekent een monetair beleid uitsluitend gericht op prijsstabiliteit, omdat de conjunctuur (en daarmee de groei) niet gestuurd kan worden. Een geldgroei die maakt dat kredietverlening in de pas loopt met onderliggende reële ontwikkelingen. De overheid kan wel slechte leningen overnemen, maar het overnemen van banken moet zij vermijden. Het ontbreekt haar aan de capaciteiten om deze te managen. Verder zijn eenvoudiger regels en zo nodig snel en adequaat ingrijpen gewenst. Het laatste betekent dat de verwachtingen bij marktpartijen goed gemanaged moeten worden: ontslag bij falen, gevangenisstraf bij fraude of voorkennis, extra beloning alleen bij uitzonderlijke prestaties in lange termijn perspectief en faillissement bij omvallen. Aandeelhouders en bestuurders zijn de partijen die over de hele cyclus het ondernemingsrisico moeten dragen en niet de laagconjunctuur afwentelen op de belastingbetaler. Het spanningsveld tussen toezichtsautoriteiten en marktpartijen zal altijd blijven bestaan en ook het optreden van marktfalen en overheidsfalen. Dat te erkennen maakt partijen bescheidener voor de toekomst in hun ambities en handelen en kan daarmee de omvang en impact van toekomstige financiële crises binnen de perken houden.