Overheidsmaatregelen om bepaalde groepen te beschermen, blijken nogal vaak averechts uit te pakken voor degenen die ermee geholpen moeten worden. Ook het onlangs door het kabinet bij de Tweede Kamer ingediende Wetsvoorstel werk en zekerheid lijdt aan goede intenties.
Zoals ik vorige week al schreef naar aanleiding van dit wetsvoorstel, gaat verdelende rechtvaardigheid in Nederland meestal boven economische efficiëntie. Mensen die werken met flexibele contracten worden door veel, vooral linkse, politici als beschermwaardig gezien, want zij hebben minder rechten dan werknemers met vaste contracten. Flexibele arbeid voorziet echter in een behoefte bij werkgevers aan flexibiliteit, die de standaard vaste contracten niet mogen bieden. Ook zijn er veel werknemers die een flexibel contract prefereren boven een vast contract. Belangrijk is ook de notie dat een flexibel contract een unieke instapgelegenheid biedt aan groepen met een moeilijke arbeidsmarktpositie, omdat het vaak de enige manier voor hen is om zich te bewijzen aan een werkgever.
Linkse politici en vakbonden zien flexwerkers echter als de zoveelste groep die moet worden geholpen. Het Wetsvoorstel werk en zekerheid brengt dit ‘ideaal’ weer een stukje dichterbij. Het Nader rapport bij het wetsvoorstel besteedt ook aandacht aan de potentiële werkgelegenheidseffecten, maar bagatelliseert eventuele negatieve consequenties als volgt:
“Zo blijkt uit een recent en uitgebreid literatuuroverzicht van de OESO [bedoeld wordt de OECD Employment Outlook 2013 RW] dat hervormingen in het ontslagrecht en het flexrecht volgens de meeste onderzoeken geen significant negatief effect hebben op de werkgelegenheid en de werkloosheid. De angst van de Afdeling [van de Raad van State RW] dat flexibele werkplekken niet meer worden opgevuld, hetgeen zou leiden tot werkgelegenheidsverlies, vindt dus geen stevige grond in de empirische literatuur op dit gebied.
Verder komt uit dezelfde overzichtsstudie van de OESO naar voren dat het vergroten van het gat tussen de bescherming van vaste en flexibele contracten leidt tot een toename van het aantal flexibele contracten. Omgekeerd geldt dan ook dat het dichten van het gat tussen vaste en flexibele arbeid leidt tot minder flexibele en meer vaste contracten. De maatregelen ter versteviging van de positie van flexwerkers zullen er dus naar verwachting toe leiden dat werkgevers per saldo meer vaste contracten aan zullen bieden.” (pp. 5-6)
Als we deze redenering doortrekken, dan zou het verbieden van flexwerk tot alleen maar vaste contracten leiden, bij gelijkblijvende werkgelegenheid. Iets zegt me dat hier geen sprake kan zijn van een over de hele linie lineaire relatie. Wat deze tekst echter vooral ademt is interventionisme: de overheid kan aan de ‘knoppen’ draaien en zo de economie besturen en het leven van mensen beter maken. Voor velen is de overheid tot dat ingrijpen ook moreel verplicht. Zij maken van elk economisch vraagstuk het liefst een verdelingsprobleem en sluiten bij voorkeur de ogen voor het optreden van gedragseffecten. Die zijn echter onvermijdelijk. Aangezien de spelregels zijn veranderd, gaan mensen zich aanpassen aan de nieuwe omstandigheden wat leidt tot vaak onverwachte resultaten. Op de arbeidsmarkt geldt maar al te vaak dat extra bescherming juist ten koste gaat van de positie van de groepen voor wie die bescherming is bedoeld. Het vermindert hun kansen op werk en zij blijven daardoor langer werkloos. Dat is ook een effect dat de OESO rapporteert in de Employment Outlook 2013, maar het blijft onvermeld in het Nader rapport.
De OESO is alles afwegende per saldo positief over meer flexibilisering (p. 67): “There is evidence that, on average, workers benefit from a dynamic labour market, brought about by flexibility-enhancing, but duality reducing reforms.” Het tweerichtingsverkeer uit het Nader rapport blijkt bij de OESO een eenrichtingsweg, waarbij het verschil tussen vaste en flexibele contracten (de ‘duality’ in het citaat) via meer flexibiliteit wordt verminderd en dus niet door het aanscherpen van de regelgeving die de flexibiliteit van contracten vermindert. Beide laatste zinnen in bovenstaande passage uit het Nader rapport lijken dan ook gebaseerd op wensdenken van de minister van SZW.
Een ander voorbeeld van een goedbedoelde statische interventie die in dynamisch perspectief vaak averechts uitpakt, zijn de invoering van minimumlonen en de wens het niveau ervan steeds verder te verhogen. Duitsland is voornemens een minimum uurloon in te voeren, blijkens het recent gesloten coalitieakkoord tussen CDU/CSU en SPD. In de VS woedt momenteel een discussie over het (flink) verhogen van het minimumloon. De econoom en Nobelprijswinnaar Gary Becker legde onlangs de vinger op de zere plek door te wijzen op de hoge minimum (jeugd)lonen in Frankrijk (en ook Spanje) die gepaard gaan met een hoge jeugdwerkloosheid. Ook hier creëert een beschermingsmaatregel van overheidszijde een tegenstelling tussen de insiders die ervan profiteren en de outsiders die er door worden buiten gesloten.
De les die nu weleens geleerd zou mogen worden is dat interventie in statisch perspectief wellicht de doelgroep lijkt te helpen, maar in dynamisch perspectief juist hun kansen op werk vermindert.
vrijdag 20 december 2013
vrijdag 6 december 2013
Europees Toezicht: Handhaven of niet?
Zal het toezicht op de grotere Europese banken bij de ECB in goede handen zijn? Dat is zeer de vraag. Beleidsmakers in Europa verwachten veel van het overdragen van nationale toezichtbevoegdheden aan de ECB. De ECB is enthousiast begonnen mensen te rekruteren en de eigen burelen uit te breiden. Kunnen we, afgezien van meer bureaucratie, daadwerkelijk hier iets van verwachten? De voortekenen zijn niet goed.
Een goed en beknopt overzicht van wat de Europese bankenunie inhoudt, vindt u hier. Een belangrijk voordeel van het centraliseren van het bankentoezicht zou zijn het ontnemen van de mogelijkheid aan nationale overheden om nationale "kampioenen" te bevoordelen. Een Europese instantie, zo is de gedachte, zal zich minder snel onder druk laten zetten dan een nationale regering die moet opboksen tegen een uit de kluiten gewassen financiële sector. Dat zou kunnen. Wat ook zou kunnen is dat die nationale kampioen nog steeds de eigen regering voor het karretje weet te spannen en dat vervolgens die regering de besluitvorming binnen de ECB naar haar hand weet te zetten. Die regering heeft daartoe ook een financiële prikkel, omdat de kosten van het redden of saneren van een bank grotendeels kunnen worden afgewenteld op de andere landen. Denkbeeldig? Er is een interessante parallel met de geschiedenis van de Euro. Ook hier zouden nationale beleidsmakers op afstand worden geplaatst en waren er vooraf strenge regels afgesproken. Landen zouden elkaar ook niet te hulp komen. Toen puntje bij paaltje kwam, werden die regels niet gehandhaafd; in eerste instantie niet door de Europese Commissie en in tweede instantie ook niet door het Europese Gerechtshof. Wie garandeert dat het met het bankentoezicht niet net zo gaat? In de EU zijn sommige landen meer gelijk dan andere....
De Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Douglas North heeft een interessant boek geschreven over het ontstaan en overleven van instituties met de titel Understanding the Process of Economic Change. Instituties vinden in de opvatting van North hun oorsprong in gedeelde normen en waarden. Regels in een land zijn een afspiegeling van die normen en waarden en vinden daarin hun voedingsbodem. Het derde aspect dat North in dit verband noemt, is de handhaving van die regels. Normen en waarden, regels en de handhaving hiervan zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Je ziet meteen waar het misgaat als het aankomt op het handhaven van de regels van het Europese bankentoezicht of welke andere Europese regels dan ook. Die vinden niet hun oorsprong in gedeelde normen en waarden, waardoor op zijn zachtst gezegd niet iedereen de noodzaak inziet om zich hieraan te houden.
Ter illustratie van dit punt: De Nederlander Sijbrand was in de race om de eerste directeur Toezicht te worden bij de ECB. Hoe serieus die kandidatuur was, mag worden betwijfeld. Dit vanwege het feit dat ook Frankrijk een kandidate had genomineerd. Je hoeft echt niet paranoïde te zijn of overal complotten te ontwaren om te veronderstellen dat de kandidatuur van de Nederlander daardoor kansloos was. Ondanks de oververtegenwoordiging van Zuideuropeanen in de top van de ECB ging de functie uiteraard naar de Française. Je kunt maar beter een 'mannetje' ter plaatse hebben dat de leiding heeft als er een nieuw toezichtstelsel wordt opgetuigd. De bureaucratie in Brussel is op Franse leest geschoeid en dat staat nu ook het toezicht te wachten. En wat de handhaving van het toezicht betreft, is het natuurlijk handig dat iemand uit eigen land de leiding heeft die je altijd kunt bellen (of andersom).
Een gelegenheid als deze laten de Fransen zich niet ontnemen en ze komen dan ook met een ‘zware’ kandidate, ook al valt daar nogal wat op aan te merken. Zo is zij al vrijwel haar hele werkzaam leven actief in het toezicht, waarvan de laatste 10 jaar in leidinggevende functies op het hoogste niveau. Dat veel Franse banken al jaren gebukt gaan onder een relatief hoge schuldenlast, veroorzaakt door het uitlenen van geld aan (andere) Zuideuropese staten, valt haar weldegelijk kwalijk te nemen. Deze banken hebben een onverantwoord risico genomen door zich op een dergelijke eenzijdige manier bloot te stellen aan een beperkt aantal debiteuren. Zij hadden er dus alle belang bij dat deze landen werden gered door de andere eurolanden en dat was daarmee ook een belang van de Franse regering. Nu valt niet te betreuren dat de eer om deze functie te vervullen niet is toegevallen aan de Nederlander Sijbrand. Hij is nog maar twee jaar in functie en er valt na een aantal grote toezichtdebacles in Nederland (o.a. SNS, DSB, Friesland Bank) nog wel het een en ander te verbeteren. Hiermee is nog maar net een begin gemaakt. Helaas hebben de meeste eurolanden nog niet eens dat stadium bereikt.
Een goed en beknopt overzicht van wat de Europese bankenunie inhoudt, vindt u hier. Een belangrijk voordeel van het centraliseren van het bankentoezicht zou zijn het ontnemen van de mogelijkheid aan nationale overheden om nationale "kampioenen" te bevoordelen. Een Europese instantie, zo is de gedachte, zal zich minder snel onder druk laten zetten dan een nationale regering die moet opboksen tegen een uit de kluiten gewassen financiële sector. Dat zou kunnen. Wat ook zou kunnen is dat die nationale kampioen nog steeds de eigen regering voor het karretje weet te spannen en dat vervolgens die regering de besluitvorming binnen de ECB naar haar hand weet te zetten. Die regering heeft daartoe ook een financiële prikkel, omdat de kosten van het redden of saneren van een bank grotendeels kunnen worden afgewenteld op de andere landen. Denkbeeldig? Er is een interessante parallel met de geschiedenis van de Euro. Ook hier zouden nationale beleidsmakers op afstand worden geplaatst en waren er vooraf strenge regels afgesproken. Landen zouden elkaar ook niet te hulp komen. Toen puntje bij paaltje kwam, werden die regels niet gehandhaafd; in eerste instantie niet door de Europese Commissie en in tweede instantie ook niet door het Europese Gerechtshof. Wie garandeert dat het met het bankentoezicht niet net zo gaat? In de EU zijn sommige landen meer gelijk dan andere....
De Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Douglas North heeft een interessant boek geschreven over het ontstaan en overleven van instituties met de titel Understanding the Process of Economic Change. Instituties vinden in de opvatting van North hun oorsprong in gedeelde normen en waarden. Regels in een land zijn een afspiegeling van die normen en waarden en vinden daarin hun voedingsbodem. Het derde aspect dat North in dit verband noemt, is de handhaving van die regels. Normen en waarden, regels en de handhaving hiervan zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Je ziet meteen waar het misgaat als het aankomt op het handhaven van de regels van het Europese bankentoezicht of welke andere Europese regels dan ook. Die vinden niet hun oorsprong in gedeelde normen en waarden, waardoor op zijn zachtst gezegd niet iedereen de noodzaak inziet om zich hieraan te houden.
Ter illustratie van dit punt: De Nederlander Sijbrand was in de race om de eerste directeur Toezicht te worden bij de ECB. Hoe serieus die kandidatuur was, mag worden betwijfeld. Dit vanwege het feit dat ook Frankrijk een kandidate had genomineerd. Je hoeft echt niet paranoïde te zijn of overal complotten te ontwaren om te veronderstellen dat de kandidatuur van de Nederlander daardoor kansloos was. Ondanks de oververtegenwoordiging van Zuideuropeanen in de top van de ECB ging de functie uiteraard naar de Française. Je kunt maar beter een 'mannetje' ter plaatse hebben dat de leiding heeft als er een nieuw toezichtstelsel wordt opgetuigd. De bureaucratie in Brussel is op Franse leest geschoeid en dat staat nu ook het toezicht te wachten. En wat de handhaving van het toezicht betreft, is het natuurlijk handig dat iemand uit eigen land de leiding heeft die je altijd kunt bellen (of andersom).
Een gelegenheid als deze laten de Fransen zich niet ontnemen en ze komen dan ook met een ‘zware’ kandidate, ook al valt daar nogal wat op aan te merken. Zo is zij al vrijwel haar hele werkzaam leven actief in het toezicht, waarvan de laatste 10 jaar in leidinggevende functies op het hoogste niveau. Dat veel Franse banken al jaren gebukt gaan onder een relatief hoge schuldenlast, veroorzaakt door het uitlenen van geld aan (andere) Zuideuropese staten, valt haar weldegelijk kwalijk te nemen. Deze banken hebben een onverantwoord risico genomen door zich op een dergelijke eenzijdige manier bloot te stellen aan een beperkt aantal debiteuren. Zij hadden er dus alle belang bij dat deze landen werden gered door de andere eurolanden en dat was daarmee ook een belang van de Franse regering. Nu valt niet te betreuren dat de eer om deze functie te vervullen niet is toegevallen aan de Nederlander Sijbrand. Hij is nog maar twee jaar in functie en er valt na een aantal grote toezichtdebacles in Nederland (o.a. SNS, DSB, Friesland Bank) nog wel het een en ander te verbeteren. Hiermee is nog maar net een begin gemaakt. Helaas hebben de meeste eurolanden nog niet eens dat stadium bereikt.
donderdag 28 november 2013
Hoe de euro strandt op Franse trots
Als één ding duidelijk is geworden, sinds het uitbreken van de financiële crisis rond de euro, is dat de Zuideuropese onwil om de economie te hervormen. Men ziet de economische problemen als iets dat elk van deze landen overkomt. Op de manier waarop de economie is ingericht, is niets aan te merken. Dat is zoals de eigen bevolking het wil, althans dat deel dat belang heeft bij handhaving van de status quo.
Het ligt voor de hand hierop te reageren met dat dit natuurlijk prima is, maar dat je dan niet moet deel willen uit maken van een monetaire unie met een gemeenschappelijke munt. Dat doet echter in deze landen bij de autoriteiten pijnlijke herinneringen oproepen aan de tijd dat er nog de D-mark was die het Europees Monetaire Systeem (EMS) domineerde, voortreffelijk beschreven door Philipp Bagus. De aanwezigheid van de mark maakte de bevolking in de Zuideuropese landen duidelijk dat je een hoger welvaartsniveau kon hebben én minder inflatie. En dat de voortdurende devaluaties via een hogere inflatie een aanslag vormden op de reële waarde van hun inkomsten en bezittingen. De (monetaire) autoriteiten in deze landen werden daardoor uiteindelijk gedwongen zich te voegen naar het beleid zoals dat werd bepaald door de Bundesbank. De Duitse hereniging vormde de perfecte gelegenheid voor het Zuidelijke blok om, aangevoerd door Frankrijk, de mark te neutraliseren. De introductie van de euro betekende het definitieve einde van de Duitse monetaire hegemonie, althans dat dacht men in Parijs en diverse zuidelijker gelegen hoofdsteden.
Je kunt echter je munt inwisselen voor een andere, maar dat wil niet zeggen dat je daarmee uit de problemen bent. De onderliggende economische structuren veranderen daardoor niet. Al spoedig ging het Franse economische beleid wringen met de regels die waren vastgelegd in het Stabiliteits- en Groeipact (SGP). Doordat ook Duitsland op dat moment even de weg kwijt was, konden die regels door de Fransen gemakkelijk opzij worden geschoven in 2003. De economie herstelde zich en ook Frankrijk krabbelde weer zodanig op dat er een paar jaar lang werd voldaan aan de eisen van het SGP. Hervormd werd er nauwelijks. In 2008 ging het weer fout. Weer was er het geluk dat het in heel veel landen tegelijk fout ging. Het gaf Zuid-Europa de gelegenheid de regels opnieuw opzij te schuiven, noodzakelijke hervormingen uit te stellen en de onrust rond de euro toe te schrijven aan ‘de financiële markten’. Belangrijk winstpunt vormde voor deze landen de creatie van een transferunie. Hoewel in strijd met het EMU-verdrag kon er nu bij het ontbreken van andere vormen van financiering op worden vertrouwd dat de Noordelijke landen altijd klaar zouden staan om de portemonnee te trekken. Intussen werd ook via handig manoeuvreren de top van de Europese Centrale Bank gedomineerd door Zuideuropeanen.
Hoewel sprake is van een meesterlijke omgang met allerlei camouflagetechnieken, is de fundamentele zwakte van de Zuidelijke economieën natuurlijk niet verdwenen. Reden waarom Duitsland in het vizier blijft van de Zuidelijken. De sterke economische prestaties van Duitsland komen volgens hen tot stand ten koste van de andere Lidstaten; Duitsland verrijkt zich over de rug van de landen die in de problemen zitten en dus wordt de Europese Commissie erop af gestuurd. Het is overigens nogal merkwaardig een instantie in te schakelen die niet in staat bleek de, althans bij aanvang, glasheldere verdragsregels van het SGP af te dwingen. Het SGP heeft daarna een hele trits additionele bepalingen gekregen waarvoor de economische logica ontbreekt en die vooral bedoeld lijken om de Noordelijke landen mee om de oren te slaan. De gehanteerde redenering reduceert de problemen in de Zuideuropese landen dus tot het (uiteraard tijdelijk) tekortschieten van de effectieve vraag. Er is geen sprake van starre arbeids- en productmarken, een matig functionerende overheid, te hoge belastingen, teveel regels e.d. Het probleem is dat de Duitsers op hun geld blijven zitten en weigeren goederen en diensten uit Zuid-Europa af te nemen.
Maar stel dat de Duitsers nu wel massaal hun geld zouden gaan uitgeven en zich (nog dieper!) in de schulden zouden steken. Ligt het dan voor de hand dat ze dan vooral Zuideuropese producten gaan kopen? Portugal en Griekenland staan er niet om bekend dat ze de bovenkant van de markt bedienen, welke de Duitsers met hun extra verkregen inkomen wel zullen willen opzoeken. Veel bedrijven in Zuid-Europa zijn eenvoudigweg niet concurrerend.
De Duitsers hebben aan het begin van deze eeuw een transformatieproces ondergaan dat hun economie weer concurrerend heeft gemaakt. Althans t.o.v. de Eurolanden is sprake van een forse verbetering. Dat wordt al anders als de blik wordt verruimd. Het eurogebied is geen eiland waar landen alleen met elkaar hebben te maken en waar met heel veel goede wil het tekort van de een als de winst van een ander is te zien. Landen concurreren echter niet met elkaar; dat doen bedrijven. In landen gaat het om een zo goed mogelijk benutting van de productiemiddelen en gezien het werkloosheidsniveau en de staat van de overheidsfinanciën valt er ook in Duitsland het nodige te verbeteren. Duitsland scoort relatief goed als het alleen om een vergelijking met de eurolanden gaat. Vandaar ook dat het de laatste tijd begint te rommelen binnen het Duitse bedrijfsleven, waar men zich begint af te keren van de manier waarop nu met de euro wordt omgegaan. Zie b.v. de vertaalde bijdragen van Hans-Olaf Henkel hier op DDS en de opkomst van een partij als de AfD, een initiatief van economen die zich zorgen maken over de euro.
Het probleem van de euro, om niet te zeggen de tragedie, is dat deze voortdurend stuit op de Franse onwil om de economie te hervormen. Thans is Frankrijk opnieuw één van de zieke economieën in Europa blijkt uit recente cijfers. In Parijs hoopt men vurig dat de internationale conjunctuur fors gaat aantrekken, zodat een toename van de vraag de structurele problemen van Frankrijk opnieuw een tijdje camoufleert. Elke vingerwijzing van buiten om te hervormen zal de Franse regering zien als een onaanvaardbare aantasting van de eigen soevereiniteit. Dat is echter een opvatting die consequenties heeft. Om nog even terug te gaan naar het begin. Het EMS ging ooit ten onder. Dat kwam niet doordat o.l.v. George Soros het Britse pond eruit werd gespeculeerd. Het was de koers tussen de mark en de Franse franc die niet langer houdbaar bleek. De Fransen klopten vergeefs aan om steun bij de Duitsers. Mocht een soortgelijke situatie zich ook nu voordoen, dan valt te hopen dat de Nederlandse monetaire autoriteiten opnieuw het juiste spoor weten te kiezen.
Het ligt voor de hand hierop te reageren met dat dit natuurlijk prima is, maar dat je dan niet moet deel willen uit maken van een monetaire unie met een gemeenschappelijke munt. Dat doet echter in deze landen bij de autoriteiten pijnlijke herinneringen oproepen aan de tijd dat er nog de D-mark was die het Europees Monetaire Systeem (EMS) domineerde, voortreffelijk beschreven door Philipp Bagus. De aanwezigheid van de mark maakte de bevolking in de Zuideuropese landen duidelijk dat je een hoger welvaartsniveau kon hebben én minder inflatie. En dat de voortdurende devaluaties via een hogere inflatie een aanslag vormden op de reële waarde van hun inkomsten en bezittingen. De (monetaire) autoriteiten in deze landen werden daardoor uiteindelijk gedwongen zich te voegen naar het beleid zoals dat werd bepaald door de Bundesbank. De Duitse hereniging vormde de perfecte gelegenheid voor het Zuidelijke blok om, aangevoerd door Frankrijk, de mark te neutraliseren. De introductie van de euro betekende het definitieve einde van de Duitse monetaire hegemonie, althans dat dacht men in Parijs en diverse zuidelijker gelegen hoofdsteden.
Je kunt echter je munt inwisselen voor een andere, maar dat wil niet zeggen dat je daarmee uit de problemen bent. De onderliggende economische structuren veranderen daardoor niet. Al spoedig ging het Franse economische beleid wringen met de regels die waren vastgelegd in het Stabiliteits- en Groeipact (SGP). Doordat ook Duitsland op dat moment even de weg kwijt was, konden die regels door de Fransen gemakkelijk opzij worden geschoven in 2003. De economie herstelde zich en ook Frankrijk krabbelde weer zodanig op dat er een paar jaar lang werd voldaan aan de eisen van het SGP. Hervormd werd er nauwelijks. In 2008 ging het weer fout. Weer was er het geluk dat het in heel veel landen tegelijk fout ging. Het gaf Zuid-Europa de gelegenheid de regels opnieuw opzij te schuiven, noodzakelijke hervormingen uit te stellen en de onrust rond de euro toe te schrijven aan ‘de financiële markten’. Belangrijk winstpunt vormde voor deze landen de creatie van een transferunie. Hoewel in strijd met het EMU-verdrag kon er nu bij het ontbreken van andere vormen van financiering op worden vertrouwd dat de Noordelijke landen altijd klaar zouden staan om de portemonnee te trekken. Intussen werd ook via handig manoeuvreren de top van de Europese Centrale Bank gedomineerd door Zuideuropeanen.
Hoewel sprake is van een meesterlijke omgang met allerlei camouflagetechnieken, is de fundamentele zwakte van de Zuidelijke economieën natuurlijk niet verdwenen. Reden waarom Duitsland in het vizier blijft van de Zuidelijken. De sterke economische prestaties van Duitsland komen volgens hen tot stand ten koste van de andere Lidstaten; Duitsland verrijkt zich over de rug van de landen die in de problemen zitten en dus wordt de Europese Commissie erop af gestuurd. Het is overigens nogal merkwaardig een instantie in te schakelen die niet in staat bleek de, althans bij aanvang, glasheldere verdragsregels van het SGP af te dwingen. Het SGP heeft daarna een hele trits additionele bepalingen gekregen waarvoor de economische logica ontbreekt en die vooral bedoeld lijken om de Noordelijke landen mee om de oren te slaan. De gehanteerde redenering reduceert de problemen in de Zuideuropese landen dus tot het (uiteraard tijdelijk) tekortschieten van de effectieve vraag. Er is geen sprake van starre arbeids- en productmarken, een matig functionerende overheid, te hoge belastingen, teveel regels e.d. Het probleem is dat de Duitsers op hun geld blijven zitten en weigeren goederen en diensten uit Zuid-Europa af te nemen.
Maar stel dat de Duitsers nu wel massaal hun geld zouden gaan uitgeven en zich (nog dieper!) in de schulden zouden steken. Ligt het dan voor de hand dat ze dan vooral Zuideuropese producten gaan kopen? Portugal en Griekenland staan er niet om bekend dat ze de bovenkant van de markt bedienen, welke de Duitsers met hun extra verkregen inkomen wel zullen willen opzoeken. Veel bedrijven in Zuid-Europa zijn eenvoudigweg niet concurrerend.
De Duitsers hebben aan het begin van deze eeuw een transformatieproces ondergaan dat hun economie weer concurrerend heeft gemaakt. Althans t.o.v. de Eurolanden is sprake van een forse verbetering. Dat wordt al anders als de blik wordt verruimd. Het eurogebied is geen eiland waar landen alleen met elkaar hebben te maken en waar met heel veel goede wil het tekort van de een als de winst van een ander is te zien. Landen concurreren echter niet met elkaar; dat doen bedrijven. In landen gaat het om een zo goed mogelijk benutting van de productiemiddelen en gezien het werkloosheidsniveau en de staat van de overheidsfinanciën valt er ook in Duitsland het nodige te verbeteren. Duitsland scoort relatief goed als het alleen om een vergelijking met de eurolanden gaat. Vandaar ook dat het de laatste tijd begint te rommelen binnen het Duitse bedrijfsleven, waar men zich begint af te keren van de manier waarop nu met de euro wordt omgegaan. Zie b.v. de vertaalde bijdragen van Hans-Olaf Henkel hier op DDS en de opkomst van een partij als de AfD, een initiatief van economen die zich zorgen maken over de euro.
Het probleem van de euro, om niet te zeggen de tragedie, is dat deze voortdurend stuit op de Franse onwil om de economie te hervormen. Thans is Frankrijk opnieuw één van de zieke economieën in Europa blijkt uit recente cijfers. In Parijs hoopt men vurig dat de internationale conjunctuur fors gaat aantrekken, zodat een toename van de vraag de structurele problemen van Frankrijk opnieuw een tijdje camoufleert. Elke vingerwijzing van buiten om te hervormen zal de Franse regering zien als een onaanvaardbare aantasting van de eigen soevereiniteit. Dat is echter een opvatting die consequenties heeft. Om nog even terug te gaan naar het begin. Het EMS ging ooit ten onder. Dat kwam niet doordat o.l.v. George Soros het Britse pond eruit werd gespeculeerd. Het was de koers tussen de mark en de Franse franc die niet langer houdbaar bleek. De Fransen klopten vergeefs aan om steun bij de Duitsers. Mocht een soortgelijke situatie zich ook nu voordoen, dan valt te hopen dat de Nederlandse monetaire autoriteiten opnieuw het juiste spoor weten te kiezen.
Abonneren op:
Posts (Atom)